Download PDF

Zihni Özdil, historicus, schrijft columns voor de Rotterdam-bijlage van het NRC en essays in de Nieuwe Revue. Ik ken hem via Twitter en opinieartikelen op Joop.nl als een scherpzinnig en ook geestig politiek-maatschappelijk observator. Lang niet altijd ben ik het met hem eens, maar zijn scherpe tong maakt het altijd plezierig zijn stukjes te lezen. Ik heb dan ook letterlijk reikhalzend uitgekeken naar zijn boek Nederland mijn vaderland. Volgens mijn vriendin omdat ik met boeken ben als een vrouw die naar een volle kledingkast kijkt, mopperend dat ze niets heeft om aan te trekken. ‘Maar wat doe ik dan dit weekend, het schaatsseizoen is nog niet begonnen’, was mijn tegenwerping.

Nederland mijn vaderland is genoemd naar een facebookpagina waarop typisch Hollandse kneuterigheid van molens en kazen vermengt wordt met post-Fortuyns racisme. Geheel in stijl met Özdil’s gevoel voor humor zien we op de voorkant een foto van een oranje geverfde caravan die vermoedelijk na de laatste doorkomst bij ‘bocht 21’ is afgedankt.

In het eerste hoofdstuk vertelt Özdil over de bewuste facebook-pagina en hij constateert dat berichtjes meestal gevolgd worden door oproepen tot deportatie, genocide en andere vormen van grof geweld. En dat deze teksten niet komen van baldadige tieners of neo-nazi’s, maar van ‘gewone mensen’, moeder, grootmoeders met foto’s van kleinkinderen in hun profiel. De urgentie van zijn pleidooi voor een inclusief burgerschap is daarmee meteen vastgesteld.

We kennen de kleinburgelijke vreemdeligenhaat die tegenwoordig uit alle porien van de sociale media sijpelt inmiddels allemaal. Soms ken ik het land waar ik ben opgegroeid niet meer terug, maar Özdil laat in zijn betoog zien dat deze sentimenten een lange geschiedenis hebben.

Hij wijst bijvoorbeeld op de ontwikkeling van de ‘Nederlandse tolerantie’. Zo was Nederland in essentie een calvinistisch land en werd de katholieke gemeenschap lange tijd kort gehouden. Openlijk het katholieke geloof belijden werd ontmoedigd en pas na een emancipatiebeweging in de 19e eeuw hoefden de katholieken niet langer in schuilkerken bijeen te komen voor hun geloof. Ik denk dat hij hier zeker een punt heeft. Nederlandse tolerantie is gebaseerd op het principe dat alles kan, als het maar niet te opzichtig uitgedragen wordt. Dat is nog steeds zo, getuige het genante gekeutel over hoofddoekjes, burka’s en de bouw van moskeen in de afgelopen jaren. De boodschap, gedragen door het grootste deel van politiek en media: moslim zijn mag, maar we willen het niet zien.

In de verzuiling ziet Özdil een volgende stap. Na de emancipatie van de katholieken in de 19e eeuw werd verzuiling de maatschappelijke vorm waarin men langs elkaar heen kon leven. Iedereen leefde in zijn eigen zuil en zelfs in de nieuwe polders, waar groepen bewust door elkaar werden geplaatst, zochten gereformeerden de gereformeerden op en de katholieken de katholieken. Mijn moeder vertelde het inderdaad vaak, hoe ze niet met vriendinnetjes uit de straat naar dezelfde gymnastiekvereniging mocht, omdat die niet van Nederlands Hervormde signatuur was.

Özdil besluit zijn overzicht met een schets van de multiculturele integratie-politiek, waarbij gemeenschappen met islamitische achtergrond min of meer in een moslim-zuil werden gedrukt, juist op het moment dat de verzuiling in Nederland afbrokkelde. Hij neemt dit vooral de progressieve Nederlanders kwalijk, omdat met name zij voor ‘behoud van cultuur’ pleitten. Özdil hekelt bijvoorbeeld de gewoonte om vooral subsidies te geven aan allerlei Turkse organisaties, met een radicaal karakter. Hij vergelijkt het met een nederlandse gemeenschap in Turkije, waarbij de Turkse regering vooral de SGP, Opus Dei en de NSB subsidieert.

Door al deze ontwikkelingen is Nederland nooit losgekomen van de uitsluitingsmechnismen die vanaf de 16e eeuw zijn ontstaan. Özdil maakt bij de schets van de huidige samenleving onderscheid tussen institutioneel racisme en dagelijks racisme. Persoonlijk denk ik dat de term ‘institutioneel racisme’ een pleonasme is. Racisme is in essentie een ideologisch complex van ideeen en verborgen of openlijke institutie’s. De buurman die nare opmerkingen maakt over ‘die bruinuh’ is eerder een symptoon, dan het werkelijke probleem. Maar dat neemt niet weg dat het belangrijk is dat het onderscheid onderdeel gaat worden van het publieke debat over racisme.

Met de term ‘allochtoon’ wordt door Nederland het burgerschap van Nederlanders van kleur in het taalgebruik ontkent. Hij schetst hoe het woord door de progressieve sociologe Hilda Verweij-Jonker werd geintroduceerd “om ‘vreemdelingen’ op een ‘neutrale’ te beschrijven”. Door middel van deze term werden ook mensen uit de voormalige kolonien buiten het Nederlanderschap geplaatst. Omdat huidskleur een criterium is, maakt dit allochtoon een raciale term.
Özdil is niet de eerste die de begrippen allochtoon-autochtoon bekritiseert. Socioloog Willem Schinkel heeft in verschillende boeken (waaronder ‘Denken in een tijd van sociale hypochondrie‘) deze tweedeling gefileerd.
Özdil slaat de spijker op zijn kop. Er wordt een tweedeling op grond van huidskleur (want dat is het) in het leven te roepen, die in de media structureel wordt geproblematiseerd, waarna er overheidsbeleid rond die (fictieve?) problematiek wordt ontwikkeld. Een burgerschap op grond van gelijkwaardigheid is dan feitelijk al niet meer mogelijk.

Op Joop.nl vat Özdil de centrale boodschap van zijn boek als volgt samen: “…voor een nieuw Nederlanderschap, waarin het niet meer uitmaakt hoe je heet, wat je eet, hoe je eruit ziet, wat je erfgoed is, wat je wel of niet gelooft. Over al die verschillen kunnen we het volstrekt oneens zijn met elkaar, graag zelfs, maar niet meer in de context van ‘wij echte Nederlanders’ versus ‘zij’. Je bent een Nederlander en niemand kan dat van je afpakken, is mijn ideaal. Eenheid in diversiteit. Een grotere anti-assimilatieboodschap is er bijna niet.”

Hij reageerde hiermee op een artikel van Sinan Çankaya die Özdil beschuldigt te pleiten voor een ‘dwingend project [dat] past binnen het conservatief-nationalisme’. Een onbegrijpelijke lezing van Nederland mijn vaderland. Ik vraag me af of Çankaya wel het zelfde boek gelezen heeft als ik. Een oproep tot assimilatie ben ik, zelfs niet in bedekte termen, tegengekomen.

Wat Özdil en passant over de Zwarte Piet-discussie zegt is zeer interessant. Eigenlijk is elk woord raak, dat Özdil hier over schrijft. Zelf heb ik het idee dat als er dit jaar geen definitieve stap wordt gezet in de richting van de ontmanteling van de racistische trekjes van Zwarte Piet, dat het wel eens alsnog zou kunnen mislopen. Met name omdat ontbinding van de beweging door interne verdeeldheid dreigt. Ik zie op Twitter bijvoorbeeld steeds vaker dat er karaktermoord wordt gepleegd op belangrijke mensen uit de beweging, door andere belangrijke mensen uit de beweging.
Een andere aanwijzing geeft Özdil in zijn boek. Hij vertelt hoe hij tijdens een demonstratie op het beursplein in 2013 zag dat witte ouders met als kleurpiet geschminkte kinderen aanwezig waren. Vervolgens zag hij een radicale spreker betogen dat mensen die voor kleurenpiet pleiten net zo erg zijn als voorstanders van Zwarte Piet. De enthousiaste witte ouders dropen beteutert af. Hoewel Özdil zelf Piet liever helemaal zou zien verdwijnen, vindt hij dat het enthousiasme van witte ouders gekoestert moet worden.
Terecht. Racisme lijkt mij een relationeel probleem, waarbij alle partijen uiteindelijk gewonnen moeten worden voor een oplossing. Het op hysterische toon tweeten dat ‘witte mannen niets over racisme kunnen zeggen’, zoals ik wel eens zie langskomen, zijn volgens mij niet constructief.

In grote lijnen vind ik het Nederland mijn Vaderland scherp en prikkelend. Hier en daar mis ik wat verdieping van de aangedragen stellingen. Maar laat ik dan de hoop vestigen op de toekomstige publicaties van Özdil’s hand.