Download PDF

Henk Feikema, Karel de Grote: Mythe en werkelijkheid, een verrassende zoektocht naar een voorouder, Aspekt, 2014.

Een geliefd thema in de pseudo-geschiedenis is de ontkenning van het bestaan van historische figuren. Met name historische figuren met een grote reputatie, die iedereen met de meest basale kennis van de geschiedenis als zodanig herkent, zijn een gewild object van bestaans-ontkenning. Het alternatieve verhaal dat pseudo-historici opbouwen rond zo’n historisch figuur, komt er doorgaans op neer dat alle historici er naast zaten, omdat de figuur in kwestie helemaal nooit heeft bestaan. De ‘werkelijkheid’ wordt door een complot van de gezamenlijke historici achtergehouden.

“…aan het weergeven van een betrouwbaar beeld zitten heel wat haken en ogen. Het is dan ook heel goed te begrijpen dat er bij de geschiedschrijving wel eens fouten worden gemaakt. Het wordt kwalijker als geschiedschrijvers bewust gaan vervalsen.” (Feikema, blz. 18)

In het boek van Henk Feikema is Karel de Grote de klos. De lat had niet hoger gelegd kunnen worden door de meest invloedrijke vorst uit de middeleeuwen te kiezen. Karel de Grote wist niet alleen het grootste rijk sinds de Romeinen in Europa te vestigen, maar was tevens de inspirator voor de culturele opleving die de Karolingische renaissance wordt genoemd. In dit blogartikel zal ik de theorie die Henk Feikema verdedigt bespreken.

Belangrijk is om allereerst na te gaan wie Henk Feikema is. Want ik ben redelijk op de hoogte de mediëvistische historici die in de Nederlanden actief zijn, maar van deze man had ik nog nooit gehoord.
Hij blijkt geen historicus te zijn, maar oud-docent natuurkunde aan de TU Delft en thans genealoog en amateur-historicus. (1, 2) Henk Feikema is actief binnen een groep die zich SEM (Studiekring Eerste Millennium) noemt. In deze groep leven allerlei wilde ideeën, in de lijn van Albert Delahaye, een historicus/archivaris die in onmin viel omdat hij van mening was dat allerlei Nederlandse plaatsen in Noord-Frankrijk gesitueerd moesten worden. Hoewel binnen SEM soms ook kritiek op dergelijke ideeën is, krijgen de aanhangers van allerlei grenswetenschappelijke theorieën toch alle ruimte. Dit geldt ook voor Henk Feikema, die al diverse publicaties in het tijdschrift van SEM heeft gedaan.

In grote lijnen komt de theorie die Feikema in zijn boek verdedigt er op neer dat Karel de Grote een literaire constructie is van biografen uit het hof van de Ottonen, die hiermee hun verleden een beetje wilden opfleuren. De reden dat historici dit collectief over het hoofd hebben gezien is volgens Feikema een complot uit angst voor reputatieschade.

“ ..Aan zijn bestaan kan op grond van deze verhalen niet worden getwijfeld. En zeker niet als er ook nog een groot aantal geleerden en andere onderzoekers zijn die van zijn bestaan overtuigd zijn. Het is dan ook moeilijk voor te stellen dat er geluiden zijn die het tegendeel beweren. Moeten we er serieus naar luisteren of is het beter ze te negeren? Personen die zich bedreigd voelen kiezen voor de laatste tactiek. Ze praten of schrijven er niet over en hopen dat de bui vanzelf overgaat. In het ergste geval worden de nieuwe inzichten belachelijk gemaakt, want er staan carrières en reputaties van wetenschappers op het spel….” (Feikema, blz. 29)

Daarnaast vormt de hele periode waarin het Karolingische rijk zou hebben bestaan een gat in de tijdlijn. De theorie, die betoogt dat de periode van pakweg de 7e t/m 9e eeuw nooit heeft plaatsgevonden, wordt de fantoomtijd-theorie genoemd.

Feikema’s boek opent met een betoog over het ‘model van de geschiedenis’ zoals we dat volgens hem op school aangeleerd krijgen. Die is nog altijd gebaseerd op de modellen van de 16e eeuwse historicus Scaliger. De chronologie/tijdrekenkunde koppelt historische gebeurtenissen aan jaartallen en deelt de geschiedenis op in tijdvakken. Scaliger heeft hiervoor de basis gelegd, maar de indruk wekken dat er sindsdien niets is verbeterd, vernieuwd en aangepast, lijkt mij een ernstige misschatting van 500 jaar geschiedschrijving, archeologie en de moderne hulpmiddelen zoals koolstof- en boomring-dateringen.

Henk Feikema baseert zijn stellingen op de fantoomtijd-theorie en haar belangrijkste woordvoerders Heribert Illig en Anatoly Fomenko. Het belangrijkste argument voor de fantoomtijd-theorie heeft te maken met de vervanging van de Juliaanse kalender voor de Gregoriaanse kalender in 1582. De kalender was niet geheel gelijk aan het zonnejaar en zo was de kalender door de eeuwen heen ongeveer 10 dagen verschoven. Dit werd in 1582 gecorrigeerd. Heribert Illig heeft dit opnieuw berekend en beweert dat ze daarbij een vergissing gemaakt hebben, en eigenlijk 13 dagen hadden moeten corrigeren. Hij begint hiervoor te rekenen vanaf 45 vC., het begin van de Juliaanse kalender. In werkelijkheid werd de kalender in 1582 niet vanaf 45 vC gecorrigeerd, maar vanaf 325 nC, het concilie van Nicea. En dan is de benodigde correctie 10 dagen.

Heribert Illig houdt echter vol dat er 13 dagen gecorrigeerd hadden moeten worden ipv 10 en Henk Feikema gaat in die gedachte mee. De conclusie die Illig hier uit trekt is dat er dus drie eeuwen te veel in onze geschiedenis zitten. De periode die zich het beste leent om de rol van fantoom-eeuwen te spelen zijn de 7e, 8e en 9e eeuw, de donkere eeuwen na het volledig vervallen Romeinse rijk en voor de opkomst van de hoge middeleeuwen. Die eeuwen hebben namelijk relatief weinig materiële resten achtergelaten en ook een zeer beperkte schriftelijke cultuur. Althans als je buiten het hof van Karel de Grote rekent.

Het boek van Feikema bevat allerlei wonderlijke feitjes. Zoals dat de regeerperiode van Karolingers soms even lang was als die van vorsten van het Byzantijnse rijk. Zo regeerde Karel de Grote vrijwel even lang als Theodosius II. (Feikema, blz. 46-47) De laatste regeerde 42 jaar, terwijl Karel 46 jaar regeerde. 4 jaar verschil is inderdaad niet veel als je 3 eeuwen geschiedenis kunt laten verdwijnen. Ook zou Karel de Grote mogelijk een reflectie zijn van Julius Caesar. Hiervoor verwijst Feikema naar het onderzoek van Uwe Topper die op grond van astronomische argumenten betoogt dat de tijd van Julius Caesar opschuift naar de negende eeuw. (Feikema, blz. 33) En als kers op de taart zou Pompeij niet in 76 nC., maar ergens in de 17e eeuw (1631) verdwenen zijn. Een argument dat hiervoor gegeven wordt is dat sommige schilderingen uit Pompeij zo zeer lijken op schilderijen uit de renaissance, dat de schilderingen in Pompeij volgens de auteur ook in de renaissance vervaardigd moeten zijn. (Feikema, 63-65)

En aangezien de biografie die Einhard over Karel de Grote schreef sterk lijkt op Suetonis’ vita van Caesar, zullen ze wel elkaars spiegelbeeld moeten zijn. Dat Einhard’s biografie sterk op Suetonis’ vita lijkt, is niet zo vreemd. De Karolingers en Einhard waren gefascineerd door de Romeinse keizers en deden dan ook hun best om de biografie van Karel de Grote zo veel mogelijk op die van Caesar te laten lijken.

Ook de ideeën van Anatoly Fomenko worden door Feikema naar voren geschoven. Fomenko heeft vooral astronomische constellaties onderzocht die in historische bronnen voorkomen. Zo plaatst hij een constellatie, die te zien is in een tempel in Luxor, niet in de Egyptische antieke cultuur, maar in 1185. Doordat constellaties, die door de oude Egyptenaren zijn beschreven, in de late middeleeuwen te situeren zijn, moet volgens Fomenko de hele geschiedenis tussen het antieke Egypte en de renaissance in elkaar schuiven. Ook plaatst Fomenko bij gevolg de Bijbelse geschiedenis in de late middeleeuwen en de renaissance. Zo is Jezus van Nazareth geboren in 1064 en is het Kremlin in werkelijkheid de herbouwde tempel van Jeruzalem die in Bijbelboek Ezra beschreven wordt. Blijkbaar vind Fomenko deze verklaring geloofwaardiger, dan het gangbare idee dat de architect van het Kremlin zich door de beschrijving in Ezra liet inspireren.

Dat de fantoomtijd-theorie gelogenstraft wordt door de uitkomsten van C14- en boomringdateringen mag duidelijk zijn en de aanhangers van de theorie bestrijden dan ook dat deze methoden betrouwbaar zijn. Feikema haalt de geofysicus Anatolij Tjoerin aan die C14 ter discussie stelt. Tjoerin geeft hier een aantal argumenten voor. Een voorbeeld is dat de vondsten van kruiken uit de Romeinse en Byzantijnse periode die met een tijdsverschil van ongeveer 1000 jaar nauwelijks van elkaar verschillen. Een ander voorbeeld dat in Bulgarije geen vondsten van munten zijn gedaan uit de periode tussen 400 en 1050. Uiteraard is het niet zo vreemd dat bepaalde gebruiksvoorwerpen lange tijd niet veel veranderen of dat er gebieden zijn waar soms perioden geen muntstelsel voor zijn gekomen. Maar Tjoerin en Feikema zien hierin het bewijs dat er een gat in de geschiedenis moet zitten. (Feikema, blz. 119, 132-133)

Het grote probleem lijkt niet alleen het Karolingische rijk en alle tastbare bronnen die we daar wel degelijk voor hebben. Maar waar blijven de andere wereldrijken, die op hetzelfde moment bestonden, binnen de theorie van de fantoom-tijd? Zoals het Arabische rijk, dat in de zelfde periode uitgroeide tot een rijk dat tot in Centraal-Frankrijk doordrong. Of de Chinese Tang-dynastie. Juist in die tijd was er veel contact langs de zijderoute tussen deze verschillende rijken. Zouden alle historici die zich wereldwijd met de verschillende rijken hebben bezig gehouden er allemaal zo gigantisch naast kunnen zitten? Dit in tegenstelling tot een handjevol natuurkundigen die in hun vrije tijd een groot complot op het spoor zijn gekomen?

Je hoeft geen historicus te zijn om door de pseudowetenschappelijke theorieën van Feikema of zijn voorbeelden Illig en Fomenko heen te prikken. Maar blijkbaar bestaan er uitgeverijen die een dergelijk boek willen uitgeven (in dit geval Aspekt), is er een lezerspubliek die de boek serieus neemt en vond de bibliotheek in mijn woonplaats het nodig een exemplaar te bestellen.