Download PDF

Historisch gezien is Ieper vooral bekend vanwege haar rol in de Eerste Wereldoorlog. Hierdoor worden andere historische feiten van de stad minder snel belicht. Vooral als het gaat om de godsdiensttroebelen in de zestiende eeuw is dat jammer. Een interessante episode in de geschiedenis van de Nederlanden. Ieper was de grootste stad in de Westhoek, het gebied waar de beeldenstorm niet alleen begon, maar ook het hevigst was.

Tijdens de eerste Wereldoorlog is Ieper haar volledige stadsarchief kwijtgeraakt. Zo goed als alle bronnen van voor 1914 zijn hierdoor verloren gegaan. Onderzoek naar de geschiedenis van Ieper voor 1914 is dus afhankelijk van bronnen die in de 19e eeuw reeds werden uitgegeven. De beeldenstorm is relatief rijk bedeeld met bronnenuitgaven. Toch is er nooit een studie verschenen die specifiek over de beeldenstorm in Ieper gaat en wordt de beeldenstorm in die stad alleen in groter verband besproken. De meest recente studie waarin dit gebeurde is Beggars, iconoclasts, and civic patriots van Peter Arnade. In dit artikel wil ik de beeldenstorm van Ieper iets uitgebreider en gedetailleerder belichten.

De eerste hagenpreken

Sinds het begin van de jaren zestig van de zestiende eeuw was het protestantisme, en dan vooral het calvinisme, in het Westkwartier een massabeweging geworden. Afgezien van de predicatie in Boeschepe in 1562, werden de bijeenkomsten in het geheim georganiseerd. Het smeekschrift dat de edelen op 5 april 1566 aan Margaretha van Parma aanboden zou het startschot worden voor bijeenkomsten in het openbaar. Margaretha besloot namelijk de plakkaten, die de basis vormden voor de vervolging van protestanten, tijdelijk op te schorten.

Zodra het nieuws van het smeekschrift bekend werd, kwamen gevluchtte predikanten over uit de vluchtelingegemeenten in Engeland. De vluchtelingen uit de westhoek zaten vooral in het kustplaatsje Sandwich. Na de oversteek naar Veurne trokken de meesten naar Hondschote. Van daaruit begonnen ze, net als predikanten die niet gevlucht waren, in het openbaar te preken. 1 De hagenpreken werden in het open veld gehouden, vaak niet ver van een stad. In de steden werden de preken niet toegelaten en de calvinisten hadden uiteraard geen eigen kerk.

In en rond Ieper waren vooral drie predikanten actief. Alle drie hadden een band met de stad. Sebastiaan Matte, een voormalig hoedenmaker, was geboren in Ieper en werd omschreven als een kleine gezette man met een klein baardje. Hij had enkele jaren in Engeland gewoond, in Londen en Sandwich. In mei 1566 kwam hij over naar Vlaanderen, vestigde zich in Hondschote en trok van daaruit rond om te preken.2 Een andere predikant die actief was in de regio is Jacob de Buyzere, afkomstig uit Hondegem. Hij was een Augustijn die uit een Iepers klooster was getreden3 Ten slotte moet Anthonis Algoet, genoemd worden. Hij was geboren in Belle, tot kort voor de gebeurtenissen monnik in het Ieperse Dominicanen-klooster, maar net als de Buyzere uitgetreden4

Sebastiaan Matte hield zijn eerste preek na zijn terugkeer uit Engeland op 26 mei in Roesbrugge5 Op 11 juni preekt Anthonis Algoet in de buurt van Wulvergem. De preek kan beschouwd worden als de eerste grote hagenpreek in de omgeving Ieper.6
In het uitgebreide verslag dat het stadsbestuur in opdracht van de Raad van Vlaanderen schreef, wordt ook de preek van 11 juni als eerste genoemd. De groep mensen, die geschat wordt op meer dan duizend, luisterde naar de preek en zong psalmen in de Vlaamse taal.7 Dat het stadsbestuur toen al meer dan nieuwsgierig was, blijkt uit de ondervragingen van burgers die de preken bezochten. Zo deden ze navraag bij Karel Bouve, een drapier die samen met ongeveer 500 Ieperlingen naar een preek van Anthonis Algoet in Nieuwkerke was geweest. Hij vertelde dat hij op de hoogte was van de plakkaten, maar was toch naar de preek gegaan om aan “zyne ziele zalicheyt te wercken, dunkende dat die aldaer beter te vercryghen was als in de roomsche kercke”. Bouve werd met een waarschuwing naar huis gestuurd.8

Toenemende spanning

De toenemende spanning werd duidelijk op 7 juli. Nadat de bisschop van Atrecht een mis hield in Armentiers op de dag van een processie aldaar, verzamelde er een grote groep mensen buiten de stad. Na de preek werden twee gevangenen bevrijd.9 Dit was het eerste incident in de omgeving waar een preek een gewelddadig karakter kreeg en dat ontging ook het stadsbestuur in Ieper niet.10

Ook kregen de predicaties steeds meer een provocatief karakter. Na een preek van Algoet in Waasten op 25 juli trok een groep van ongeveer vijftig personen, sommigen bewapend met geweren, psalmen zingend door de straten van Ieper. Ze hielden halt voor het huis van Ghelein Bulteel, een schepen van de stad, om daar demonstratief een psalm van David te zingen.11
Dezelfde dag had men al Joris de Raedt, een bode te paard, naar de preek gestuurd om eens poolshoogte te nemen. Hij kon zich nauwelijks met zijn paard door de grote menigte manoeuvreren. De hoogbaljuw riep meteen de gildehoofden bij elkaar om zich te beraden over de toenemende onrust.12
Op 28 juli gaf Jacob de Buyzere een preek in de buurt van Poperinge en wederom was hier een grote groep Ieperlingen aanwezig die bij terugkomst de stad introkken terwijl ze in het Vlaams psalmen zongen. Het stadsbestuur had de dag er voor al om bijstand van graaf Egmont gevraagd. Dit leek niet overdreven aangezien ze op 29 juli te horen kregen dat de calvinisten van plan waren om op Tuindag in Ieper zelf te komen preken.13

Tuindag

Dat het stadsbestuur zich ernstig zorgen maakte naar aanleiding van de informatie die ze over Tuindag hadden gekregen was begrijpelijk. Tuindag was een lokaal feest, gewijd aan Onze-Lieve-Vrouw van Thuyne, dat sinds de late veertiende eeuw werd gevierd op de eerste zondag van augustus. Dit om te herdenken dat de heilige Maria in 1383 de stad had beschermd tegen een Engelse belegering. Belangrijk onderdeel van het feest was een processie. Het was één van de drukste dagen in het jaar, waarbij ook veel bezoekers uit de omgeving kwamen. Volgens de informatie die het magistraat op 29 juli kreeg zou er op drie plaatsen binnen de stad gepreekt worden, zowel “in de walsche als in de vlaemsche taele”, en zouden er veel extra bezoekers komen.14 Men hield er tevens rekening mee dat velen bewapend zouden zijn. Dezelfde dag nog werd in samenspraak met de bisschop besloten om de processie uit te stellen uit angst voor “groot scandale ende desordre”. Dit werd officieel bekend gemaakt en men stelde tevens Graaf van Egmont op de hoogte.15

De stadhouder van Vlaanderen, Lamoraal van Egmont, voorzag de stad van 12 hellebaardiers en de hoogbaljuw stelde verscherpte bewaking in. De edelmannen die net buiten de stad woonden werden verzocht hun poorten gesloten te houden. De meeste stadspoorten zouden tijdens Tuindag gesloten blijven en de poorten die open bleven zouden extra bewaakt worden door een stadswacht.16
De instructies voor de bewaking werden op 1 augustus doorgesproken en kwamen er op neer dat er voorkomen moest worden dat mensen in groepen en bewapend de stad in en uit gingen. Er zou ingegrepen moeten worden bij “enich scandale tzy by zanghen ofte andersints, ghelyck ten voorleden St Jacobsdaghe gheschiedt hadde.”17 Van de acht stadspoorten zouden er vijf dicht blijven en alleen de Boterpoort (de plek tegenover het hedendaagse station), de Antwerpse poort (de huidige Menenpoort) en de Boesingepoort (op het huidige Minneplein) zouden, voorzien van extra bewaking, open zijn.18 Het poortbeleid werd niet zonder discussie ingesteld, enerzijds omdat sommige betwijfelden of er echt rottigheid van zou komen, maar ook omdat zij de preken zelf wilden bezoeken. 19

Op 4 augustus, Tuindag, kwam ‘s morgens vroeg rond zes uur een grote groep mensen uit Poperinge, Belle en andere omliggende plaatsen in de richting van de Boterpoort. Hier geven de bronnen een verschillende lezing. Volgens Augustijn van Hernighem konden ze ongestoord de Boterpoort in en trokken gewapend door de stad, terwijl ze psalmen zongen. In het verslag van het stadsbestuur stelt men dat de heer Beaurewaart de Boterpoort had laten sluiten op het moment dat de groep in aantocht was. Hij zou ze tegemoet gegaan zijn om te zeggen dat ze om de stad heen moesten trekken omdat de poort gesloten was. Een deel van de groep deed dit, maar een andere groep ging toch naar de Boterpoort die ondanks zijn instructies toch open bleek te zijn.20 Van Hernighem vertelt vervolgens dat rond negen uur de predikanten aankwamen met een gevolg van ongeveer tweeduizend man, velen bewapend. Zij kamen binnen via de Meessenpoort. Ook deze poort had volgens de instructies dicht moeten zijn. Vandaar trokken de verschillende groepen via de Antwerpse poort naar Sinte Claren, het klooster dat vlakbij die poort, net buiten de stad lag. Hier hielden Jacob de Buyzere en Anthonis Algoet hun preken. Na de preek kwam de groep mensen terug de stad in. De drukte van mensen die de stad in en uit trokken was volgens de poortwachters zo groot dat ze de poort niet konden sluiten.21

Augustijn van Hernighem schat het totaal aantal bezoekers van de preek op wel 25.000 mensen. De groep die na de preek in een stoet, al zingend door de stad trok schat hij op 4 à 5 duizend mensen.22
Misschien zijn de getallen wat overdreven, maar het aantal bezoekers moet indrukwekkend geweest zijn. Het is de best bezochte preek rond Ieper in de periode van de hagenpreken en de beeldenstorm. De kroniek ‘Cort verhael’ stelt daarnaast dat er nog nooit zoveel mensen naar Tuindag waren gekomen, ondanks dat het evenement was afgeblazen.23

Beide kronieken melden nog dat de groep na hun rondgang door de stad voor een gesloten Meessenpoort kwamen, die na wat tumult geopend werd, zodat de mensen de stad konden verlaten.
Het stadsbestuur leek zich ervan bewust te zijn dat ze voorzichtig te werk moesten gaan. Al hield men een beperkt aantal poorten open, en waren de overige drie extra zwaar bemand, ze bleven bang dat de boel uit de hand zou lopen. De bijstand van de graaf in de vorm van 12 hallebardiers, zonder vuurwapens, achtten ze onvoldoende omdat “vande aangeschreven soldaeten niet veel resistentie te verwachten en was, midts dat zy subietlyk ghewapent waeren ende zeer lettel met bussen”.24

De beeldenstorm breekt uit

Na een preek van Sebastiaan Matte op 10 augustus nabij Steenvoorde sloeg de vlam in de pan. Onder aanvoering van zijn belangrijkste volgelingen werd de Sint-Laurentiuskapel bestormd. De aanwezige predikanten gingen vervolgens elk een andere weg. Jacob de Buyzere vertrok richting Belle, terwijl Matte naar Poperinge ging en aldus de omgeving Poperinge en Ieper voor zijn rekening nam. Op 14 augustus preekte Sebastiaan Matte nabij Poperinge waarna die stad aan de beurt was. Hier liet hij een verzegelde brief van de koning zien waarin de bestorming werd goedgekeurd. De truc met de valse brief werd hier voor het eerst gebruikt, maar het was zeker niet de laatste keer.25

Het nieuws over het begin van de beeldenstorm was al tot in Ieper geraakt toen Graaf van Egmont op de 13e de stad bezocht in een poging om orde op zaken te stellen. Hij overlegde op de 14e met het stadsbestuur en besliste dat niemand de stad mocht verlaten met een wapen, behalve als hij op reis ging. Verder moesten alle poorten dichtblijven als er een hagenpreek gehouden werd en konden mensen alleen de stad verlaten voor een dringende reden. Als op dezelfde dag het gerucht gaat dat Sebastiaan Matte komt preken in Brielen, nabij de stad, vraagt men Egmont te blijven omdat zijn aanwezigheid misschien veel kan voorkomen. Hij verklaarde niet langer te kunnen blijven wegens andere zaken en vertrok.26

15 augustus

De beeldenstorm kwam steeds dichterbij en het nieuws dat Poperinge ook getroffen was, bereikte Ieper dan ook razendsnel. Volgens de kroniek ‘Cort verhael’, kort nadat graaf Egmont vertrokken was.27 Of het Sinte Clarenklooster het eerste doelwit was op 15 augustus is niet helemaal duidelijk, maar volgens ooggetuigen werd er zeker al vanaf acht uur ‘s morgens gebroken en geplunderd. Rond dat tijdstip ging het nog om een kleine groep. Een groep van ongeveer acht mensen vernielde in de voorkerk de beelden en altaren. Onder hen zijn in ieder geval de Ieperlingen Joos Daten en Jacob van Nieuwenhuus, samen met enkele vreemden die door aanwezigen Hondschotenaren worden genoemd.

Gewapend met een happe (een soort bijl) of andere werktuigen werd er stevig op ingehakt. Ook het orgel dat in het vrouwenkoort stond, moest er aan geloven. Een aantal mannen trok langs de kamers van de zusters om er de deur te forceren en kleine beeldjes, juwelen en kralenkettingen kapot de smijten. Pieter de Cocq, een lange man met een baard, forceerde met een paar anderen de deur naar de wijnkelder. “Wat maect ghilieden te desen bierkeldere? Dit is de wijnkeldere, daer sullen we inne.” In de loop van de ochtend groeide de groep snel aan en rond twee uur waren er minstens 40 mensen die met de geplunderde wijn- en voedselvoorraden een waar feestmaal hadden ingericht. Sommigen waren al flink dronken. Niet iedereen kwam voor het feestje. Joos Daten en Jacob van Nieuwenhuus zeiden, nadat ze klaar waren met het aanrichten van de ruïne in het vrouwenkoor, dat ze nu naar het Nonnenbosch zouden gaan.

De zusters hadden zich ‘s morgens vroeg verzameld in één kamer om zich daar uit angst voor bloedvergieten in te sluiten. Ze verlieten de ruimte pas rond 5-6 uur ‘s middags en zien dan dat het klooster en de kerk één grote ravage was.28

Ook de andere kerken en kloosters die zich net buiten de stad bevonden, zoals Sint Jans, Brielen, het Augustijnen-klooster en Nonnenbosch werden op deze dag bestormd. Daarover zijn niet zulke gedetailleerde beschrijvingen bekend als over Sinte Claren, maar ook daar was de schade groot.29 Het stadsbestuur kwam ‘s morgens vroeg bijeen en besloot de poorten die dag gesloten te houden. Vervolgens stuurden ze iemand naar Sebastiaan Matte, die inmiddels met zijn gevolg buiten de stad stond, met het verzoek om te vertrekken zonder problemen te maken of de stad in te komen. Aanvankelijk wil Matte hier op ingaan, maar nadat hij overlegd had met zijn assistenten weigerde hij toch. Hij zei dat hij ziek was, en nam zijn intrek in herberg “de Meyboom”, niet ver van de Boezingepoort. Een grote menigte verzamelde zich gedurende de dag in afwachting van het moment dat ze de stad konden binnengaan. De gemoederen raakten af en toe verhit, waarbij er gedreigd werd met bloed vergieten, mochten ze de stad in komen. Ook richtte iemand dreigend zijn geweer op de baljuw die op de poort aanwezig was. In Ieper zelf begon men ondertussen in kerken en kloosters zoveel mogelijk spullen in veiligheid te brengen.30

‘s Avonds ging Lucas Bouvet, een medewerker van de hoogbaljuw, nog naar de herberg om Sebastiaan Matte te overtuigen niet over te gaan tot de bestorming van de kerken in Ieper. Matte antwoordde hierop dat de mensen die zouden gaan breken allang binnen de stadsmuren waren.31

16 augustus

In het verslag dat het stadsbestuur achteraf voor de Raad van Vlaanderen schreef, wekten ze de illusie dat ze de poorten op 15 en 16 augustus hermetisch gesloten hielden en streng bewaakten. 32 Heel erg aannemelijk is deze lezing niet. Van tenminste twee Ieperse aanvoerders, namelijk Joos Daten en Jacob van Nieuwenhuus, weten we dat ze op 15 augustus nog actief waren in het Sinte Clarenklooster buiten de stad, terwijl ze de volgende dag al ‘s morgens vroeg weer werden gesignaleerd in de Sint-Pieterskerk binnen de stadsmuren. Ook worden al ‘s morgens vroeg diverse vreemdelingen of Hondschotenaren gezien, die dus blijkbaar zonder probleem de stad ingekomen waren.33

Schatbewaarder van de stad, Marcx de Wilde lichtte een tipje van de sluier. Hij vertelde hoe mensen per twee of meer de stad ingelaten werden op verschillende tijden “up tpretext dat elc wiste te fingieren van der affayren die zij in stede hadden ende kennessen die zij an vele inwonende hadden.”34 Voor de Ieperse beeldenstormers zal het wat eenvoudiger geweest zijn binnen te komen, maar ook vreemdelingen slaagden hier dus in. Het is niet ondenkbaar dat sommige poortwachters uit sympathie met de calvinisten niet altijd even streng waren.

Hoeveel Hondschotenaren er in de vroege ochtend in de stad waren is niet helemaal duidelijk. Marx de Wilde heeft het over ongeveer 300 personen van buiten Ieper. Althans dat heeft hij gehoord van ene Passchier Priem die zei “datter die naecht wel 300 personen zoo van Hondschote, Belle als van Poperinghe in stede waeren, die hij zom ghesproken hadde..” 35 Dat lijkt toch wat overdreven, want hoe vaak kun je de poort opendoen voor weer een groepje, zonder dat het opvalt? Bovendien sluit het niet aan bij de ooggetuigenverslagen die meestal veel deelnemers wisten te identificeren. En die meestal spreken over “gheassistert met 2 so 3 Hondschotenaers” of “ende 2 of 3 saywerkers die hij en niet kende” of “diversche mannen van buten”.36 Ook spreekt men vaak van groepjes van rond de tien personen. Van Hernighem meldt dat er zo’n 25-30 vreemden waren binnen geraakt, maar dat inwoners van de stad zelf “’t meesten grief deden”. Dit beeld lijkt realistischer. De groep zal in de loop van de dag ongetwijfeld flink gegroeid zijn, maar in de vroege morgen zal het een beperkte groep geweest zijn.

Rond vijf uur begon de beeldenstorm in de Sint-Pieterskerk. Kerkmeesters Pieter de Schildere en Andries Cousyn waren nog druk bezig om zoveel mogelijk in veiligheid te brengen toen zij een groep, gewapend met happen en ander werktuig, de kerk zagen binnenkomen. Die begonnen meteen van alles te breken. Ze probeerden hen te overtuigen dan tenminste het orgel met rust te laten, maar Wouter Bevelen, een molenaar die door diverse getuigen als een soort aanvoerder werd aangewezen was onverbiddelijk. “Neen, het moet al af, het moet ghebroken zijn, men hebter al te veele afgoderie mede ghedaen.” En dus moest naast beelden, altaren en panelen ook het orgel er aan geloven. Wouter Bevelen had zich bij de deur gezet en betaalde iemand om bij een andere deur te waken zodat er niets naar buiten gebracht kon worden. Naast Bevelen worden ook Pieter de Cocq, Jacob van Nieuwenhuus en Joos Daten, die op 15 augustus al buiten de stadsmuren actief waren, in de Sint-Pieterskerk geïdentificeerd.37

In dezelfde hoek van de stad werd ook het klooster van de Grauwe broeders en de Dominicanen bestormd. Buiten dat ook hier vanaf 6 uur de meeste beelden en altaren werden vernield zijn er niet zo heel veel details bekend. Van Hernighem schrijft:”..van den grauwen broers, zoo quamen zy te Precars ende hebben daer alle die kercke datter in was gheheel te ruwyne ghebrocht, want kinderen ende alle manieren van volcken braken elck om meest ende liepen in ‘t clooster ende smeten alle over open om soe waren, aten ende droncken all dat zy vonden”.38 Uit de beperkte getuigenverslagen weten we wel dat Jacob van Nieuwenhuus bij de Grauwe broeders actief was en Wouter Bevelen bij de Dominicanen.39

Het is mogelijk dat de groep hier nog gezamenlijk voorttrok. Volgens Van Hernighem ging men van de Dominicanen naar de Sint-Nicolaaskerk. Daarna naar de Sint-Maartenskerk en verder naar het klooster van de Minder broeders40 Dat is geografisch gezien een logische route. In de Sint-Nicolaaskerk was de verwoesting ook groot. Rond twee uur zegt een ooggetuige een aantal mannen gezien te hebben die nog wat beelden wilden komen breken, die volgens haar allang vernield waren. 41

In de Sint-Maartenskerk begon de beeldenstorm pas laat. Quinten Thomare, klokkenluider van de kerk deed tussen 9 en 10 uur persoonlijk de deur open. De belangrijkste Ieperse beeldenbrekers, Pieter de Cocq, Wouter Bevelen, Jacob van Nieuwenhuus en Seghers Osten, werden hier gesignaleerd. Maar de groep was behoorlijk aangegroeid. Zo werden er mensen gezien uit de omgeving van de kerk, zoals bijvoorbeeld Steven Velles die in de Boterstraat woonde. De aanpak was inmiddels heel systematisch. In elke hoek waren wel een aantal mannen met stokken of bijlen bezig om beelden, altaren, orgels en nog veel meer te vernielen. Het ging hier ook de hele middag door, zelfs aan het begin van de avond waren er nog beeldenbrekers actief. 42

Voor het klooster van de Minder broeders is geen tijd bekend, maar van Hernighem stelt dat ze naar dit klooster gingen na de Sint-Maartenskerk. Het zal dus in de middag geweest zijn. Duidelijk is wel dat Pieter de Cocq hier een aanvoerdersrol vervulde. Hij zette omstanders aan om mee te helpen.43 Over de Sint-Jacobskerk is niet veel bekend, behalve dat ze in de ochtend werd aangedaan. Als we de route van Hernighem aanhouden zal het na het begin van de bestorming van de Sint-Nicolaaskerk en de Sint-Maartenskerk zijn geweest.44

Andere kloosters, zoals die van de Karmelieten of de Urbanisten worden nauwelijks genoemd in de bronnen, of heel kort, zoals de Begijnen, maar het is vrijwel zeker dat ook zij de dans niet ontsprongen. In de meeste bronnen wordt expliciet gemeld dat alleen het klooster van de Zwarte zusters zich goed heeft weten te beschermen doordat de hoogbaljuw hen 15 mannen ter bescherming had gestuurd.45 Zo uitzonderlijk was het blijkbaar dat dit klooster gespaard bleef.

Jan Denys bracht verslag uit bij Sebastiaan Matte die de hele dag heeft gewacht buiten de stadsmuren. Toen die hoorde dat in de kerken alles gebroken was, vertrok hij met zijn gevolg naar Brielen waar hij nog een preek hield.46 Op de dag zelf greep het stadsbestuur nauwelijks in. Er werd alleen rond het middaguur een gebod uitgevaardigd dat het niet toegestaan was binnen te gaan in particuliere huizen van geestelijken om te vernielen of mensen te bedreigen. Anthonie Andries en Steven Castelain overtraden dit gebod nadat ze het huis van een kerkbewaarder binnengingen, en vernielingen aanrichtten. Andries werd veroordeeld tot de galg en Castelain verbannen.47 De andere gevangene die dag is Hans Tavernier die een OLV-beeld tegenover het Belfort vernielde.48

Na de beeldenstorm

De dag na de beeldenstorm hield men vast aan het gevoerde poortbeleid. En de katholieke missen werden tijdelijk uitgesteld. Pas op 29 augustus wordt er voor het eerst weer een mis gehouden in Ieper.49 Twee dagen na de beeldenstorm wordt Anthonie Andries opgehangen.50 In de dagen rond de beeldenstorm is dit de enige straf die het stadsbestuur oplegt. In het voorjaar van 1567 worden toch enkele daders, waaronder Wouter Bevelen en Pieter de Cocq veroordeeld. Op verzoek van de centrale overheid schrijft het stadsbestuur een uitgebreid verslag van de gebeurtenissen, waarna uiteindelijk de ingestelde Raad van Beroerten alsnog een grote groep Ieperlingen wegens de beeldenstorm veroordeeld.

  1. M. BACKHOUSE, ‘Beeldenstorm en bosgeuzen in het Westkwartier (1566 – 1568)’, in: Koninklijke geschied- en oudheidkundige kring van Kortrijk. Handelingen, (38), Kuurne, 1971, 74.
  2. Troubles religieus du XVIe siècle dans la Flandre maritime, E. DE COUSSEMAKER ed., 4 dln, Brugge, 1876, IV, 38-39. en I, 349.
  3. Archives d’Ypres: Documents du XVIe siècle, faisant suite a l’inventaire des chartes: Mémoire justificatif du magistrat d’Ypres, I.L.A. DIEGERICK, ed., 4 dln, Brugge, 1874-77, I, 34.
  4. Archives d’Ypres, I, 19.
  5. BACKHOUSE, Beeldenstorm en bosgeuzen, 74.
  6. Cort Verhael van ‘t ghonne binnen de stadt van Ypre en daer omtrent ghepasseert is de religie aengaende, tzijdert juny 1566 tot omtrent half ougst 1567, F. VAN DE PUTTE, ed., in: Annales de la Société d’Émulation de Bruges, 6 (1844), 208-263, 209.
  7. Archives d’Ypres, I, 19.
  8. Archives d’Ypres, I, 22-26.
  9. A. VAN HERNIGHEM, Eerste bouck van beschryfinghevan alle gheschiedenesse (1562-1572), A.LE. VERHEYDEN, ed, Brussel, 1978, 17.
  10. Archives d’Ypres, I, 25.
  11. VAN HERNIGHEM, Eerste bouck van beschryfinghe, 18; Archives d’Ypres, I, 29-30.
  12. Cort Verhael, 213.
  13. Archives d’Ypres, I, 30-34.
  14. Cort Verhael, 216.
  15. Archives d’Ypres, I, 35-36 en 193.
  16. Cort Verhael, 217.
  17. Archives d’Ypres, I, 40-41.
  18. Cort Verhael, 218.
  19. Archives d’Ypres, I, 42-44.
  20. VAN HERNIGHEM, Eerste bouck van beschryfinghe, 18; Archives d’Ypres, I, 51; Cort Verhael, 219.
  21. Archives d’Ypres, I, 53; Cort Verhael, 220.
  22. VAN HERNIGHEM, Eerste bouck van beschryfinghe, 19.
  23. Cort Verhael, 220.
  24. Archives d’Ypres, I, 46.
  25. J. SCHEERDER, De Beeldenstorm, Bussum, 1974, 19 en 26.
  26. Archives d’Ypres, I, 56-57.
  27. Cort Verhael, 222.
  28. Documents relatifs aux excès commis à Ypres par les iconoclastes (le 15 et le 16 août 1566), G. DES MAREZ ed., in: Bulletin de la Commision royale d’histoire de Belgique, 7 (1897), 8-16; Documents relatifs aux excès commis à Ypres par les iconoclastes les 15 et 16 août 1566, G. DES MAREZ ed., in: Bulletin de la Commision royale d’histoire de Belgique, 89 (1925), 99-105.
  29. VAN HERNIGHEM, Eerste bouck van beschryfinghe, 20.
  30. Archives d’Ypres, I, 58-59.
  31. Archives d’Ypres, I, 65.
  32. Archives d’Ypres, I, 71-72.
  33. Archives d’Ypres, I, 13 en 24.
  34. Documents relatifs, 1897, 17.
  35. Documents relatifs, 1897, 18.
  36. Documents relatifs, 1897, 24; Documents relatifs, 1925, 115 en 122.
  37. Documents relatifs, 1897, 20-24; Documents relatifs, 1925, 103-111.
  38. VAN HERNIGHEM, Eerste bouck van beschryfinghe, 21.
  39. Documents relatifs, 1897, 18; Documents relatifs, 1925, 118.
  40. VAN HERNIGHEM, Eerste bouck van beschryfinghe, 21.
  41. Documents relatifs, 1925, 122.
  42. Documents relatifs, 1897, 28-30; Documents relatifs, 1925, 116-122.
  43. Documents relatifs, 1925, 111-114.
  44. Documents relatifs, 1925, 117.
  45. Documents relatifs, 1925, 120; VAN HERNIGHEM, Eerste bouck van beschryfinghe, 21.
  46. Archives d’Ypres, I, 64.
  47. Archives d’Ypres, I, 212-216.
  48. Cort Verhael, 225.
  49. Archives d’Ypres, I, 79.
  50. Cort Verhael, 225.