Download PDF

De storm is inmiddels weer een beetje gaan liggen. Maar nadat de hervormde dominee Edward van der Kaaij, begin februari in een interview in Trouw, beweerde dat Jezus nooit als historisch persoon bestaan heeft, ontstond er in de media een kleine controverse. Van der Kaaijhad het wiel zelf niet uitgevonden, maar baseerde zich op de theorie van Timothy Freke en Peter Gandy.1 Deze auteurs maken deel uit van het zogenaamde Jezus-mythicisme, een stroming die al in de 19e eeuw ontstond, maar sinds 15-20 jaar weer een grote populariteit kent.

Het Jezus-mythicisme is meestal gebaseerd op drie pijlers. Ten eerste is dat het idee dat Jezus van Nazareth grote overeenkomsten vertoond met gehelleniseerde cultussen, zoals die van Osiris of Mythras. Verder is er de gedachte dat de verhalen in de evangeliën zo sterk lijken op materiaal uit het Oude Testament, dat er sprake moet zijn van een literaire bewerking van die oudere teksten. En ten slotte wijzen de Jezus-mythicisten op de stilte van Paulus. In de brieven van Paulus worden zo weinig biografische gegevens over Jezus meegegeven, dat men betwijfelt dat Paulus kennis had van de historische Jezus.

Wie het werk van de belangrijkste mythicisten bekijkt (op dit moment zijn dat oa. Robert M. Price, Earl Doherty, Dorothy Murdock en Richard Carrier) zal al snel opvallen dat het ‘argument from silence’ essentieel is voor de rest van het mythicistische discours. Dat er overeenkomsten met andere Hellenistische cultussen zijn, zoals het sterven en wederopstaan van Jezus, is op zich niet vreemd. Historisch gezien is syncretisme als verschijnsel universeel te noemen en het zou eerder vreemd zijn als er geen sprake zou zijn geweest van beinvloeding van niet-Joodse cultussen op het vroege christendom. Voor het andere argument, de herschrijvingen van Oude Testament-materiaal in de evangeliën, geldt ongeveer hetzelfde. Het herschrijven van oud materiaal in het Nieuwe Testament is voor bijbelwetenschappers een bekend verschijnsel en het steeds hergebruiken van oude verhalen, is in de oudheid eerder regel dan uitzondering.

Beide argumenten krijgen enkel gewicht door de problematisering van de stilte van Paulus. Doordat Jezus-mythicisten er van uitgaan dat de biografie van Jezus pas decennia na Paulus opduikt, fungeren de andere twee argumenten als verklaring voor die stilte. En dus luidt de conclusie dat een historische figuur als subject in het Jezus-narratief, niet bestaan zal hebben.

De vraag is of het ‘argument from silence’ niet te problematisch is om het volle gewicht van de Jezus-Mythicistische theorie te kunnen dragen. Vaak wordt het ‘argument from silence’ gepareerd met de stelling ‘absence of evidence isn’t evidence of absence’. Het grote probleem is namelijk dat er geen positief, maar een negatief bewijs wordt gegeven. Anders gezegd, we vinden geen gegevens terug in de bronnen die de theorie ondersteunen, maar baseren die op het ontbreken van bepaalde gegevens in de bronnen. In dit artikel wil ik een verkenning doen naar de methodologische validiteit van het ‘argument from silence’.

In de handboeken

De historiografische literatuur biedt niet zo gek veel relevante besprekingen van het ‘argument from silence’. De belangrijkste die ik heb kunnen vinden ( artikelen van John Lange en Mike Duncan en gedeelte in een boek van David Hackett Fischer) zal ik hier bespreken. Mike Duncan’ artikel is van recente datum, de andere twee zijn ongeveer 45 jaar oud. Het artikel van John Lange vormt nog steeds de maatstaf voor dit onderwerp. Verder is opvallend dat de besprekingen vooral gedaan zijn door (geschied)filosofen en dat de historici zich er nauwelijks over hebben gebogen. Ook valt op dat bij de besprekingen vooral ‘de stilte van Paulus’ als ultiem praktijkvoorbeeld wordt aangehaald. Mij verbaast dit niets, aangezien ik van het bestaan van een ‘argument from silence’ pas na mijn studie geschiedenis hoorde, toen ik me in ‘the quest for the historical Jesus’ en het Jezus-mythicisme, ging verdiepen.

In de opleiding geschiedenis wordt je vooral geleerd om de bronnen te bestuderen, te analyseren, om de conclusies te trekken aan de hand van het gevonden materiaal. Het werk van een historicus begint altijd met het beschikbare bronnenmateriaal. Het idee, om conclusies te trekken uit het ontbreken van gegevens in de bronnen, heeft me vanaf het begin gefrappeerd. Om te controleren of ik niet het slachtoffer ben geweest van kortzichtige professoren, ben ik eens in een standaard handboek gedoken om te zien wat hier gezegd wordt. Het handboek Uit goede bron is zo’n standaard-boek, geschreven door de Vlaamse historici Walter Prevenier en Marc Boone en de Engelse Martha Howell, uitgegeven in Belgie, Nederland en Engeland.2 Bij gevolg heeft een hele generatie Engelse, Vlaamse en Nederlandse historici de historische kritiek uit dit boek geleerd.

Onder een paragraaf met de titel ‘het zwijgen van de bron’, schrijft men: “Een bepaald feit wordt vermeld door een aantal contemporaine bronnen (getuigen), en wordt niet vermeld door een aantal andere. In dergelijk geval kunnen we vermoeden dat het zwijgen opzettelijk is, en dat er een motief is voor het zwijgen.” Belangrijk is dat hier bronnen die zwijgen worden afgewogen tegen bronnen die niet zwijgen. Hier richt de tekstkritiek zich dus niet op het al dan niet bestaan van een persoon of een evenement. De zwijgende bronnen worden beoordeeld op hun motieven iets niet te vermelden dat in andere bronnen wel gevonden werd.

In het geval van de historische Jezus zou je hier dus niet de vraag moeten stellen of Paulus’ zwijgen een bewijs is dat Jezus niet bestond. Je zou je hier moeten afvragen, wat de betekenis is van Paulus’ zwijgen, aangezien andere bronnen niet zwijgen. Het bestaan van Jezus als historische persoon kun je enkel beoordelen op grond van de bronnen die daar over spreken.

Prevenier ea. gaan verder: “… er zijn nochtans voorwaarden bij het hanteren van het argumentum ex silentio. Het is slechts geldig indien de zwijgende auteur in staat was het feit te kennen, indien hij de intentie had alle elementen op te sommen uit de klasse van de gebeurtenissen waartoe het verzwegen feit behoort, indien hij niet materieel of moreel zo geremd was dat hij het niet kon meedelen.”

“Een minder overtuigende toepassing van het argumentum ex silentio is die van de totale afwezigheid van informatie en documenten rond een feit dat we vermoeden gebeurd te zijn. In deze situatie redeneert men dat de vermoede feiten in de denkwereld, in de algemeen logische context, voor het politiek of ideologisch engagement van de besproken auteur zo essentieel zijn dat ze hadden moeten worden vermeld, indien ze ook werkelijk zouden zijn gebeurd.”

Daarnaast benadrukt men dat hoe groter de kans is dat de documenten verloren gingen, hoe kleiner de waarschijnlijkheid is die men aan het argumentum ex silentio mag toekennen. Het argument is voor de Middeleeuwen of de oudheid dus per definitie zwakker dan voor de 19e eeuw. Verder betekent, dat iets niet opgetekend werd, niet dat het niet bestond. Evenmin dat iets dat wel opgetekend werd ook daadwerkelijk gebeurd is.

Toch houden Prevenier, Boone en Howell de deur op een kleine kier voor een intiutief gebruik van het ‘argument from silence’, maar in alle stelligheid wordt vastgesteld dat het argument weinig overtuigend is.

Jezus-mythicisten over het ‘argument from silence’

Voordat ik naar de geschiedsfilosofen overga, zou ik willen kijken wat de Jezus-Mythicisten en haar critici zeggen over de methodologische waarde van het ‘argument from silence’.

G.A. Wells die voor de huidige generatie als een soort voorloper geldt, schreef in 1971: “It is generally agreed that the NT epistles addressed to the Romans, Corinthians, Galatians, Ephesians, Philippians, Colossians and Thessalonians were written before the gospels… These early epistles exhibit such complete ignorance of the events which were later recorded in the gospels as to suggest that these events were not known to Paul or whoever it was who wrote the epistles.”3

Wells’ stelling wordt door vrijwel alle auteurs in het genre geaccepteerd. Over de validiteit van het argument zegt Earl Doherty 4: “We have to ask ourselves, how compelling to the writer should the subject have been? Does what he is saying invite a natural, perhaps inevitable reference to the subject, whether in passing or as an integral part of this argument?”

Hoewel hij het zelf ‘tongue-in-cheek’ noemt, heeft Doherty het zelfs over een ‘conspiracy of silence’ en acht de stilte ”…so profound that it could only be explainded as a deliberate, universal conspiracy.”
Op de validiteit gaat Doherty niet dieper in, maar hij stelt dat “..the more we have reason to expect that something would be mentioned and yet is not, the more we are entitled to conclude from the silence that the subject is not known to the writer.”

Richard Carrier bespreekt de ‘argument from silence’ wat uitgebreider. Carrier stelt dat ‘absence from evidence’ wel degelijk ‘evidence of absence’ is.5 Maar alleen als het bewijs te verwachten valt.
Carrier vervolgt: “You also sometimes hear the axiom “you can’t prove a negative,” but that’s also false. Negatives are often quite easy to prove and we prove them all the time. In fact, logically, every positive claim entails a converse negative claim, thus merely in the act of proving a positive we have always proven a negative; often a great number of them.“
“The question of whether Jesus existed, for example, would be decisively proven in the negative by the recovery of an authenticated letter signed by the Apostle Peter outright saying that Jesus was only a cosmic being whose sojourn on earth was merely a symbolic myth, and who was only known to anyone through mystical perception.“

Wat hier duidelijk wordt is dat Carrier met een ‘negative’ doelt op een niet-bestaan van een persoon/evenement, niet op een negatief bewijs. Hij tekent een hypotetisch geval waarin het niet-bestaan van Jezus wordt geattesteerd door een uitspraak in een tekstuele bron. Zo’n tekstuele bron is dan een positief bewijs en dat kan natuurlijk niet als ‘argument from silence’ gepresenteerd worden. Een negatief bewijs is als een bepaalde lezing ontbreekt in de bronnen, waarna de conclusie volgt dat het tegengestelde daarmee bewezen is.

Een valide ‘argument from silence’ moet volgens Carrier aan twee voorwaarden voldoen. “the writer whose silence is invoked in proof of the non-reality of an alleged fact, would certainly have known about it had it been a fact; [and] knowing it, he would under the circumstances certainly have made mention of it. When these two conditions are fulfilled, the argument from silence proves its point with moral certainty.“

Carrier noemt dit een slamdunk-case, maar vergeet wel hierbij aan te tekenen, dat hij in dit geval uitgaat van het hypothetische geval dat we beschikken over volledigheid van bronnen. De schrijver in kwestie moet volledige openheid van zaken hebben gegeven, en we moeten achteraf ook met zekerheid kunnen stellen dat er geen bronnen verdwenen, vernietigd of geïnterpoleerd zijn. Als oudheidkundig historicus zou Carrier heel goed moeten weten dat zelfs een zwakke variant van zo’n slamdunk-case niet bestaat.

Ook al is Richard Carrier de enige mythicist die het ‘argument from silence’ ook op methodologische gronden bespreekt, is het juist Carrier die zijn thesis niet langer bouwt op het ‘argument from silence’, maar zijn constructie baseert op Bayes’ Theorem. Zo zeker is hij dus ook niet van het ‘argument from silence’.

Kritische reactie’s op de Jezus-mythicisten

Bart Ehrman heeft met zijn boek Did Jesus Exist een kritische bespreking van het Jezus-mythicisme geschreven en zegt daarin over het ‘argument from silence’:6

“What do these silences show? They do not show that these authors did not know about the historical Jesus, because they clearly did. If anything, the silences simply show that these traditions about Jesus were not relevant to their purposes.”
Hiermee wijst Ehrman dus op een gebrek aan urgentie. Paulus zag op dat moment, in die hoedanigheid geen noodzaak om over de biografie van Jezus te spreken. Over de reden kan alleen gespeculeerd worden. Dat is precies ook het probleem met het mythicisme als zij er van uitgaan dat Paulus die urgentie wel gehad moet hebben. We zouden dat enkel te weten kunnen komen, aangezien we het hem niet meer kunnen vragen, als Paulus in deze of een andere bron over zijn beweegredenen geschreven zou hebben.

Anderzijds stelt Ehrman: “One point I want to reemphasize. From what Paul does tell us, it is clear that he did indeed know about the historical Jesus. He gives us important information about Jesus’s life and quotes his teachings on several occasions.” Dat Paulus niets wist van de historische Jezus wordt door Ehrman dus ontkent.

Net als Ehrman geeft Maurice Casey een aantal redenen waarom Paulus niet over de biografie van Jezus spreekt in zijn brieven.7

“He therefor had no reason to mention places such as Nazareth or the site of the crucifiction, nor to remind his congrecations that Jesus was crucified on earth recently”. Paulus bespreekt in zijn brieven zaken als de noodzaak om besneden te worden en omdat het Paulus’ overtuiging was dat die besnijdenis niet nodig was, was vooral de “sacrifical death of Christ” relevant om de kruisiging te benadrukken. De gemeenten waren al ingewijd in het leven van Jezus en zouden dat deel van het onderricht reeds gehad hebben.

Ook Casey geeft voorbeelden dat Paulus wel degelijk over een historische Jezus spreekt, maar wijst verder op de high/low culture context. Dit betekent dat er veel informatie die voor ons belangrijk lijken, niet in de bronnen verschijnt, om de eenvoudige reden dat wij als lezer deel uitmaken van een andere tijd en plaats. Wij hebben meer informatie nodig om een bepaalde passage te begrijpen, dan mensen uit dezelfde tijd en plaats.

Wat jammer is dat zowel Casey als Erhman nalaten om een goede analyse te maken van het methodologische waarde van het ‘argument from silence’. Ze geven nu allerlei redenen aan die mogelijk motieven zijn voor Paulus’ ‘zwijgen’. Hoewel die redenen overtuigend genoeg zijn om het pleit te beslechten, hebben ze zich wel in de verdediging laten drukken. Het gevolg is dat allerlei mythicistische reactie’s op internet volledig voorbij kunnen gaan aan het feit dat de redenen die zij aandragen voor het zwijgen van Paulus’ minstens even speculatief zijn. In werkelijkheid weet niemand vandaag de dag waarom een actor 2000 jaar iets niet gezegd heeft, tenzij dit op grond van tekstbronnen te reconstrueren valt.

David Hackett Fisher

David Hackett Fisher beschrijft in Historians Fallacies de denkfouten die historici in hun werk kunnen maken. Hier gaat hij ook in op het ‘argument from silence’, al noemt hij dat de ‘fallacy of the negative proof’. Hij definieert dit als “an attempt to sustain a factual proposition merely by negative evidence. It occurs whenever a historian declares that “there is no evidence that X is the case,” and then proceeds to affirm or assume that not-X is the case.” Hij stelt zich de historicus voor die na jarenlang in het archief doorgebracht te hebben om dat bepaalde relevante bewijs te vinden, uiteindelijk dan maar concludeert dat het er niet is. Als X niet gevonden is, dan is de enige juiste procedure om te gaan zoeken naar een bewijs voor non-X. Dat kan lastig zijn, maar in de ervaring van Fisher niet onmogelijk. “Not knowing that something exists, is simply not knowing.”8

Als logische formule is dit:
X is afwezig; dus non-X

Nu spreekt Fisher met name over een ‘scrap of evidence’, refererend aan een volledig bewijsstuk, maar het geldt evenzeer voor tekstfragmenten of referenties in teksten over een bepaalde evenement of persoon. Hoewel Fisher het formeler benoemd, is duidelijk dat het ‘argument from silence’ (in de zin dat er over een specifiek persoon/evenement in diverse bronnen niet gesproken wordt) een variant is van zijn ‘negative proof’. Het zwijgen van Paulus over de biografie van Jezus is zo’n negatief bewijs. De biografie van Jezus (X) is in Paulus niet te vinden, dus concludeert de Jezus-mythicist dat er sprake moet zijn van non-X.

Hoe problematisch dit is, wordt duidelijk als we de logische formule uitbreiden naar de werkelijke praktijk van historisch onderzoek. Als we de mogelijk bronnen voorstellen onder een kleine letter, dan kunnen we Paulus p noemen. In dat geval luidt de formule:

In p is X afwezig; dus non-X

Het probleem met deze formule zal snel duidelijk zijn: Paulus is niet de enige bron die we hebben. We hebben bijvoorbeeld ook Marcus (m) en Josephus (j). Nu weten we dat beide bronnen wel degelijk biografische gegevens over Jezus bevatten. Als we daaruit betrouwbare gegevens kunnen selecteren, dan wordt de formule:

In p is X afwezig;
In m en j is X aanwezig;
dus X

Paulus is stil, maar Marcus en Josephus niet. De vraag naar X, is dus enkel een kwestie van bepalen welke gegevens betrouwbaar zijn. Het is mogelijk dat je moet concluderen dat er dan wel biografische gegevens in Marcus en Josephus, maar dat die allemaal op tekstkritische gronden afgewezen moeten worden. In dat geval wordt de formule:

In p is X afwezig;
In m en j is een betrouwbare X afwezig;
dus non-X

Maar zelfs als je via strenge tekstkritiek alle bestaande bronnen afwijst, dan nog mag je nooit uitsluiten dat er nieuwe bronnen opduiken en dat via nieuwe methoden toch betrouwbaar materiaal uit de bekende bronnen kan worden geput. Maar dat niet alleen, het idee dat het bekende bronnenmateriaal volledig is en elk te bestuderen aspect beschrijft is ronduit absurd. Bronnen verdwijnen, worden hergebruikt voordat ze tot ons komen, archieven branden af, er kruipen muizen door relevante passages, stukken worden gestolen etc.etc. Compleet bronnenmateriaal bestaat in de pre-moderne tijd niet. En last but not least: sommige dingen zijn om welke reden dan ook simpelweg nooit opgeschreven. Laten we de niet bestaande documentering van X de letter Y meegeven. Dan wordt de formule:

In p is X afwezig;
In m en j is een betrouwbare X afwezig;
Het is mogelijk dat Y wel X bevat;
Zowel X als non-X kan niet worden geverifieerd.

Dit is de enige conclusie die getrokken kan worden uit negatief bewijs, of de ‘silence’ in de bronnen. Als de beschikbare bronnen X niet kan blootleggen, dan is dat de voorlopige conclusie dat we het niet weten en moet de historicus op zoek naar andere wegen die naar X leiden.

John Lange

Het ‘argument from silence’ is echter iets specifieker dan het negatief bewijs dat Fisher bespreekt. In het ‘argument from silence’ heb je wel een bron, maar er wordt gezwegen over een bepaald specifiek aspect. De redenatie is er vervolgens op gebaseerd dat de bron in kwestie wel over dit evenement had moeten spreken. John Lange gaat op deze specifieke vorm van negatief bewijs in en legt een aantal voorwaarden aan waar een succesvol ‘argument from silence’ aan moet voldoen.9

In de introductie van zijn artikel schrijft Lange dat de conclusies van historici normaal gesproken gebaseerd zijn op ‘evidence statements’, dit in tegenstelling tot exacte wetenschappen, waar negatief bewijs ook iets kan aantonen. Hij noemt het paradoxaal dat er één uitzondering is die hij ‘one of history’s most delightful and important arguments’ noemt en die niet op ‘evidence statements’ is gebaseerd. Het ‘argument from silence’ definieert Lange als “a given claim C is false, or unworthy of belief, because acceptable evidence statements to support C do not exist”.

Hij noemt zes voorbeelden uit de literatuur, die hij helaas niet concreet uitwerkt. Uiteraard zit daar de stilte van Paulus over de historische Jezus ook bij. Een voorbeeld dat ik hier wil citeren is die van de Turpin-kroniek. Lange zegt: “In the Chronicle of Turpin, exploits are ascribed to Charlemagne of which the first men of the empire, his courtiers in particular, were said to be witnesses. Einhard, Charlemagne’s contemporary biographer, is silent concerning these exploits. In view of Einhard’s exceptional authority, Turpin’s account may be rejected as untrustworthy.” Een ander interessant voorbeeld dat Lange geeft is: “Tacitus set himself to enumerate the peoples of Germany. The absence of a certain Germanic people from the lists of Tacitus proves that it did not exist at that time”. Lange geeft aan dat de gegeven voorbeelden zowel goede als slechte voorbeelden bevatten.

Op grond van Langlois & Seignobos’ Introduction to the Study of History (1905) formuleert Lange de volgende voorwaarden als uitgangspunt van zijn artikel:

(1) There is a document, D, extant, in which the event, E, is not mentioned.
(2) It was the intention of the author of D to enumerate exhaustively all members of the class of events of which E is supposed to be a member.
(3) The author of D was acquainted with all members of the class in question.
(4) E must be such that, if it had occurred, the author of D could not have overlooked it.

Lange concludeert dat Langlois & Seignobos het gebruik van het ‘argument from silence’ tot een minimum willen beperken, zonder het overboord te zetten. Lange zegt: ”Indeed, since most instances of the argument cannot meet their conditions, and many such arguments are excellent, we may suppose them to recognize that an argument which did not meet their criteria for conclusiveness might still be persuasive, indeed, perhaps, in certain cases, even compelling to a rational, informed mind.”

Lange constateert dat voor het “conclusive model” van Langlois & Seignobos veronderstelt wordt dat als een evenement zich heeft voorgedaan, het ook waargenomen is. “…some events are more difficult to ignore than others. Many types of events, wars, for example, seem to constitute at least empirically sufficient conditions for their own observation. It would be up to the historian to decide to which class of events E belonged, a decision which would normally not be difficult.” Verder veronderstelt het model dat als een evenement waargenomen is, het ook genoteerd zal zijn. Lange:“Apart from certain unusual or artificial cases, being observed is neither a necessary nor a sufficient condition, logically or empirically, for being recorded. How is the historian to make his determination?”

Lange besluit dat er, voor het ‘conclusive model’ van Langlois & Seignobos op grond van condities 2 en 4, tevens biografische gegevens over de schrijver van D nodig zijn. “We would have to be able to determine psychological facts about the author of D, facts concerning his intentions and the sorts of things which he would be unable to overlook, or, alternatively, the sorts of things which would impress themselves forcibly on his imagination. And, normally, the best evidence we have to answer these questions will be evidence internal to D. Our best guide as to what the author of D intended to do is what the author of D did do; our best guide as to what the author could not overlook is what, in fact, he did not overlook.” Op grond van deze bespreking komt Lange tot zijn eigen model voor de ‘argument from silence”.

If E had occurred, some report of E would be extant.;
No report of E is extant;
Therefore, E did not occur.

Maar hoe zeker kun je als historicus zijn dat iets dat plaatsvond ook genoteerd werd? “.. if the Spanish Armada had devastated the English fleet, and opened the way for an invasion of England, it seems certain we would have an extant report of that. <..> On the other hand, in almost all cases of interest, it seems obvious that we could not be sure that an argument answering to the above model would have true premises.” Lange stelt een nieuwe propositie voor:

If E had occurred, I would know of some report of E;
I know of no report of E;
Therefore, E did not occur.

Lange vraagt zich af hoe we het eerste statement kunnen verifieren. “It is obviously not truth-functional; it does not become true if either our historian has heard of E or if E did not occur. It might be the case that E did not occur and yet that he has heard of a report of E; there are historical myths and propagandistic inventions.” Lange breidt de proposotie uit met t1 (het moment in de geschiedenis) en t2 (het moment waarop de historicus schrijft).

If E occurs at time t1, I know of some report of E at time t2.;
Antecedent: ‘E occurs at time t1
Consequent: ‘I know of some report of E at time t2

Omdat de ‘consequent’ niet logisch volgt uit de ‘antecedent’ is er volgens Lange een conditie nodig.Hieruit volgt de volgende propositie:

If E occurs at time t, and Conditions C obtain, I know of some report of E at time t2.;
I know of no report of E at time t2.;
Therefore, either it is not the case that E occurs at time t, or it is not the case that Conditions C obtain.

Lange voegt hieraan dat “.. the conclusion of our argument is not that it is false that E occurs at time t, but that either it is false that E occurs at time t1 or it is false that Conditions C obtain.”
“To generate the desired conclusion, ‘it is false that E occurs at time t1’, we would have to include among our premises the categorical assertion ‘Conditions C obtain’. And, I think, in most cases, we would be unable to determine whether or not that crucial premise was true.”

Lange concludeert dat het onmogelijk is om relevante voorwaarden op te stellen die altijd geldig zijn.
“Presumably, in most cases, we could not assure ourselves that all of the relevant conditions had been satisfied. Indeed, we are not even certain that we can specify what the relevant conditions are.”
Lange stelt nog een propositie voor, waarin hij de conditities vervangt voor ‘probability’:

If E had occurred, it is probable I would know of some report of E.;
I know of no report of E.;
Therefore, E did not occur.

Maar hij verwerpt deze propositie eveneens, omdat het mogelijk is dat de premises kloppen, terwijl de conclusie onjuist is.
Die conclusie lijkt me juist, want dan zijn we weer terug bij het begin. Bronnen zijn nooit compleet, ze kunnen verloren of vernietigd zijn, het kan dat iets niet in een bron is terecht gekomen.

Mike Duncan

Na John Lange en David Hackett Fisher lijkt het ‘argument from silence’ in de historiografie nauwelijks te zijn besproken. Mike Duncan deed één van de weinige recente besprekingen in 2012.10 Een bespreking van Christopher Stephens een jaar eerder lijkt voor het historiografische perspectief minder relevant, omdat het vooral gericht is op ‘hardere’ wetenschappen zoals astronomie, medicijen en biologie.11

Mike Duncan bespreekt het argument aan de hand van twee voorbeelden die in de literatuur al eerder zijn geïntroduceerd. Enerzijds bespreekt hij de ‘stilte van Paulus’ over de historische Jezus, anderzijds het voorbeeld van een verhaal van Sherlock Holmes die door Christopher Stephens ook wordt besproken.

In het verhaal Silver Blaze onderzoekt Sherlock Holmes een moord, waarbij ook een paard is gestolen. Als Holmes zich realiseert dat de hond des huizes niet heeft geblaft, concludeert hij dat de dader geen buitenstaander kan zijn, omdat de hond anders zeker geblaft zou hebben.

The dog would have barked at any strangers in the stables on the night in question;
The dog did not bark on the night in question;
Therefore, the dog probably did not encounter a stranger on the night in question;
As such, Silver Blaze probably was not stolen by a stranger to the stables.

Sherlock Holmes is gealarmeerd door het feit dat de hond niet geblaft heeft en richt zijn onderzoek daarop in een bepaalde richting. Uiteindelijk lost hij hierdoor de zaak op.

Duncan benadrukt dat het vooral verwijst naar de intuïtie van Holmes die hiermee de zaak in de juiste richting weet om te buigen. Daarnaast staat of valt de geloofwaardigheid van het verhaal met het feit dat het publiek het oordeel van Holmes zondermeer accepteert. Duncan wijst er op dat “There is, perhaps, an even more curious and telling silence in Silver Blaze, however, than that of the dog’s: no one in the story criticizes the logic behind Holmes’s snap inference.”

Duncan concludeert uit de Holmes-casus: “The dog’s silence does not prove that Jonathan Straker, the actual thief, stole Silver Blaze, but making the assumption allows Holmes to construct theories about Straker’s later death that would have been difficult to do so otherwise without conceiving of him as the horse thief.” Vervolgens komt Duncan toe aan de Paulus-casus die hij als volgt formuleert:

Paul, writing earlier than the gospel authors, does not mention many key aspects of the life of Jesus in the gospels in his letters;
The gospel authors, writing later than Paul, mention a great deal of material about the life of Jesus in their works;
Therefore, Paul did not know much about the life of Jesus.

Duncan stelt: “This argument is a non sequitor; Paul does not have to write about Jesus’s life to know about it, and there is no necessary connection between the knowledge possessed by the gospel authors and Paul’s knowledge.” Toch neemt dit volgens Duncan niet weg dat er een mogelijkheid is, dat Paulus inderdaad niets van Jezus’ leven afwist. Net als in Silver Blaze, als de twee premises zijn geaccepteerd, dan moet men rekening houden met de mogelijkheid van Paulus’ onwetendheid. Maar zo wordt het ‘argument from silence’ volgens Duncan meestal niet gesteld. Het luidt meestal meer als volgt:

Paul, writing earlier than the gospel authors, does not mention many key aspects of the life of Jesus in the gospels in his letters.;
The gospel authors, writing later than Paul, mention a great deal of material about the life of Jesus in their works;
Therefore, other evidence notwithstanding, it is possible that Paul did not know much about the life of Jesus.

Dit is veel moeilijker te verdedigen, omdat het om bewijzen vraagt dat Paulus, buiten de brieven weet had van Jezus’ leven. Daarmee is de eerste premisse juist, maar maakt het het gegeven niet meer dan een curiositeit. Dit verandert met een derde premisse:

Paul wrote extensively on Jesus and would have mentioned major events in Jesus’s life in his letters if he had known about them;
Paul, writing earlier than the gospel authors, does not mention many key aspects of the life of Jesus in the gospels in his letters.;
The gospel authors, writing later than Paul, mention a great deal of material about the life of Jesus in their works;
Therefore, other evidence notwithstanding, it is possible that Paul did not know much about the life of Jesus.

Duncan vervolgt: “The new supporting premise depends on textual expertise rendering a judgment of probability, which lends the argument both strength and weakness; noting Paul’s focus on Jesus helps the case, but it is difficult to qualify what “would have mentioned” amounts to.”
Duncan stelt dat de mate van waarschijnlijkheid alleen kwalitatief beoordeeld kan worden door een expert die vertrouwd is met de betrouwbaarheid van de bronnen. We moeten dus vertrouwen op de autoriteit van de historicus, zoals in Silver Blaze vertrouwd wordt op de autoriteit van Sherlock Holmes.

“Christopher Stephens attempts to evaluate similar values with Bayesian analysis, but the Bayes theorem cannot tell us the level of increased probability the audience should take into consideration as it cannot generate numerical values without numbers to input.” Hiermee komt Duncan tot de propositie in zijn finale vorm:

Paul wrote extensively on Jesus and would have mentioned major events in Jesus’s life in his letters if he had known about them.;
Paul, writing earlier than the gospel authors, does not mention many key aspects of the life of Jesus in the gospels in his letters;
The gospel authors, writing later than Paul, mention a great deal of material about the life of Jesus in their works;
Therefore, other evidence notwithstanding, in my professional opinion as an expert on early Christian history and Pauline discourse, it is probable that Paul did not know much about the life of Jesus.

Duncan constateert dat door het ontbreken van bewijs (dat is: positief bewijs) een ‘argument from silence’ altijd blijven afhangen van de authoriteit van de expert. “The evaluator must trust the arguer to have selected a silence that is relevant, meaningful, and warranted”. Ondanks deze beperking gaat Duncan er wel van uit dat het argument als een stepping-stone kan dienen voor verdere interpretaties.

Hij besluit met drie concluderende opmerkingen: “First, the AFS has an inherently vague evidential threshold for success due its reliance on negative/absent evidence, which makes both using it and evaluating it something of a subjective art. [..] Second, as the Silver Blaze example shows, it has an investigative quality that can be used as a pathway to further arguments that wield greater probability and acceptability. [..] As such, interpretation of the strength or weakness of an AFS should proceed case-by- case, taking the acceptability issue of the relationship between the rhetor’s apparent expertise and the audience’s receptiveness into special account.”

Conclusie

Als eerste zagen we het handboek dat veel geschiedenis-studenten krijgen als inleiding op de historische kritiek. Daarin wordt het ‘argument from silence’ als weinig overtuigend gepresenteerd, zeker als het de pre-moderne geschiedenis betreft. De belangrijkste reden hiervoor is dat je nooit over volledigheid van bronnen beschikt. Verder is het zo, dat als een bepaalde auteur ergens over zwijgt, je alleen kunt speculeren over de beweegredenen van zijn zwijgen. Wil je de echte reden achterhalen, dan kan dat alleen via uitspraken van diezelfde auteur.

De theoretici houden de deur op een kier, maar stellen strenge voorwaarden. Mike Duncan stelt dat het argument zwak is, omdat het afhankelijk is van de mate waarin de autoriteit van een historicus wordt geaccepteerd. Duncan ziet het belang van het argument alleen als intuitief instrument om in het onderzoek op een bepaald spoor te raken.

John Lange geeft de logische beperkingen van het argument aan, maar stelt dat het in sommige gevallen wel te gebruiken is. Het argument moet dan een aantal voorwaarden inbouwen, maar die voorwaarden kunnen niet in algemene zin uitgetekend worden. Het zal per geval op validiteit beoordeeld moeten worden.

David Hackett Fisher wijst het negatieve bewijs af. Als je een bepaald evenement niet in de bronnen kunt terugvinden, dan heb je enkel bewezen dat het niet in de bronnen te vinden is. De enige conclusie die een historicus daaruit kan trekken is dat hij moet verder zoeken naar een positief bewijs.

Helemaal afwijzen, op grond van de historiografische literatuur, lijkt te kort door de bocht. Maar het ‘argument from silence’ is op zoveel punten problematisch, dat het gebruik ervan alleen onder strenge voorwaarden mogelijk is. Het kan alleen in beperkte vorm en vergezeld van goede positieve bewijzen ingezet worden. En er zouden goede voorwaarden geformuleerd moeten worden die duidelijk verantwoord moeten worden.

Het moge duidelijk zijn dat binnen het Jezus-mythicisme aan deze voorwaaren nauwelijks wordt voldaan. Het argument draagt meestal de volledige theorie, verder hebben we gezien dat het argument door de auteurs ook zelden methodologisch verantwoord wordt. Richard Carrier doet dit als enige wel, maar zijn argumentatie is zwak. Wel heeft Carrier zijn theorie op Bayes Theorem gebaseerd, waardoor hij de problemen van het ‘argument from silence’ enigzins vermijdt.

Tot slot

Ook buiten het Jezus-mythicisme wordt af en toe een theorie gebaseerd op het ‘argument from silence’. Een beroemd voorbeeld is de thesis van Francis Wood, dat Marco Polo nooit in China geweest zou zijn. In haar boek ‘Did Marco Polo go to China?’ betoogt ze dat Marco Polo nooit verder kwam dan Constantinopel en zijn boek samenstelde uit Perzische reisbeschrijvingen. Een belangrijk argument was dat Marco Polo nergens schrijft over de Chinese boekdrukkunst of de Chinese Muur.12 Het is een klassiek voorbeeld van een ‘argument from silence’, want hoe kun je de Chinese muur niet beschrijven als je hem hebt gezien?

De reacties op haar boek waren echter vernietigend. Laurence Bergreen schrijft in zijn biografie van Marco Polo: “Lang nadat definitief vastgesteld leek te zijn dat Marco Polo’s verslag authentiek was, werd zijn reputatie toch in twijfel getrokken met vragen die deels begrijpelijk en deels dwars en stompzinnig zijn.”13 In een lang artikel in Zentralasiatische studien en een kort artikel op internet weerlegt Igor de Rachewiltz de theorie punt voor punt. 14 De Rachewitz stelt onder andere dat Chinese cartografen pas in 1579 voor het eerst de Muur melden. Maar ook zonder die weerlegging is de theorie ongeloofwaardig. Als Marco Polo de Muur gemist had of niet belangrijk genoeg achtte om het te beschrijven, dan roept dat meteen de vraag op waarom zijn Perzische tipgevers de Muur niet beschreven hebben?

Ps. (20 april):

Cor Hoogerwerf is op zijn blog een serie begonnen over de brieven van Paulus en wat we op grond van die bronnen over de historische Jezus kunnen zeggen. Aangezien ik hier vooral een historiografische blik op de zaak heb willen werpen en geen NT-historicus of oudheidkundige ben, verwijs ik voor dit perspectief naar de berichten van Cor Hoogerwerf.
https://gegrammena.wordpress.com/2015/04/19/paulus-en-de-jezustradities-2/
https://gegrammena.wordpress.com/2015/04/15/paulus-en-de-jezustradities-1/

  1. http://www.trouw.nl/tr/nl/5091/Religie/article/detail/3843578/2015/02/03/Jezus-heeft-nooit-bestaan.dhtml
  2. Prevenier, Boone en Howell, Uit goede bron, Leuven/Apeldoorn, 2000, 94-95.
  3. G.A. Wells, The Jesus of the Early Christians: A Study in Christian Origins, Londen, 1971, p. 131.
  4. E. Doherty, The Jezus Puzzle, Ottawa, 2005. p. 23.
  5. R. Carrier, Proving History, Amherst, 2012. p. 83-84.
  6. B. Ehrman, Did jesus exist, New York, 2012, p. 84-86
  7. M. Casey, Jesus: Evidence and argument or mythicist myths?, Londen, 2014, p. 136 en p. 173-174.
  8. D. H. Fisher, Historians’ Fallacies: Toward a Logic of Historical Thought, New York, 1970, pp. 47,48
  9. J. Lange, ‘The Argument from Silence’, History and Theory, (1966), p. 288-301.
  10. M. Duncan, ‘The Curious Silence of the Dog and Paul of Tarsus: Revisiting The Argument from Silence’, Informal Logic, (2012), p. 83-97.
  11. C. Stephens, ‘A Bayesian Approach to Absent Evidence Reasoning’, Informal Logic, (2011), p. 56-65.
  12. F. Wood, Did Marco Polo go to China?, Londen, 1995.
  13. L. Bergreen, Marco Polo: From Venice to Xanadu, New York, 2007.
  14. http://rspas.anu.edu.au/eah:Marcopolo.html