Download PDF

De Beeldenstorm, zo hebben we geleerd op school, is begonnen in Steenvoorde. In de buurt van dit kleine stadje in Frans-Vlaanderen werd op 10 augustus 1566 een preek gehouden door Sebastiaan Matte. Die preek moet opruiend geweest zijn, want een groep aanhangers van ‘de nieuwe religie’ trok naar de naburige Laurentius-kapel om daar de beelden aan stukken te slaan.
Hoewel het in de perceptie van het brede publiek soms lijkt alsof dit soort historische feiten keihard zijn, is dat vaak niet zo. Het kan dan ook gebeuren dat er alternatieve versies rond gaan. Dat is hier ook het geval. In dit artikel zal ik twee alternatieven bespreken, die de ronde doen. Waarna ik zal uitleggen waarom we toch vrij zeker kunnen zijn dat het begin in Steenvoorde was, op 10 augustus 1566.

Baasrode, 19 februari

Begin 2010 verscheen op de Wikipedia-pagina een nieuwe verwijzing.1 De Beeldenstorm zou voorafgegaan zijn door een iconoclastisch incident in Baasrode, een klein plaatsje in de buurt van Antwerpen. “Alhoewel de kerk van Baasrode reeds op 19 februari ten prooi viel aan beeldstormers, begon de beeldenstorm officieel op 10 augustus 1566 te Steenvoorde, in het huidige Frans-Vlaanderen”, zo luidde het fragment op Wikipedia.2

Destijds was ik nog niet zo lang met het onderwerp bezig en ik vond het een fascinerende gedachte dat er een half jaar voor de echte Beeldenstorm al een dergelijk incident in de Nederlanden had plaatsgevonden. De schrijver verwees in een artikel in Baceroth, het tijdschrift van een lokale heemkundige kring, naar een fragment uit Marcus van Vaernewyck.3

“Men hoorde ooc datter zeker crijschvolc anghecommen was te Baesserode, ende hadden daer al tghene dat in de keercke stont in sticken ghesmeten.”4 Zo luidt een fragment dat gedateerd is op 19 februari 1566.5 Van Vaernewyck’ Beroerlicke tijden wordt algemeen beschouwd als de meest gedetailleerde, maar ook zeer betrouwbare kroniek over de Beeldenstorm en dus zou je zeggen dat dit verhaal zou kunnen kloppen.

In de alinea voor de passage met Baasrode is echter al sprake van de komst van Alva. “Ooc zeijde men daer insghelijcx dat le duck Dhalve hier binnen dese Nederlanden wesen zoude met xiiijm mannen van wapenen….”6 Het hele gedeelte wordt door Vaernewyck dan ook besproken na de ‘hete’ zomer van 1566 en aangezien hij de gebeurtenissen chronologisch vertelt, wordt duidelijk waar de fout zit. Voor het artikel in Braceroth en op Wikipedia is geen rekening gehouden met de Paaskalender. In de 16e eeuw werd het nieuwe jaar op veel plaatsen nog gerekend vanaf Pasen. Februari 1566 is volgens de huidige kalender dan ook februari 1567.

Ik heb de auteur via Facebook benaderd om hem dit te vertellen en hij zag dit gelukkig meteen in. Hij heeft het ook direct op Wikipedia aangepast. Nu wil ik niet achteraf nakaarten om mijn gelijk te vieren, maar ik hoop dat mensen, die dit elders op internet lezen, ook mijn artikel zien en begrijpen dat het incident in Baasrode in 1567 plaatsvond.

Krombeke, 9 augustus

Een ander alternatief voor het begin in Steenvoorde is ouder, breder verspreid en hardnekkiger. Volgens deze theorie zou de Beeldenstorm op 9 augustus 1566, (een dag voor het begin in Steenvoorde) zijn uitgebroken in Krombeke, een klein dorpje vlakbij Poperinge. Saillant detail is dat de theorie in de 19e eeuw door een Poperingse priester is bedacht en ook nu nog vooral leeft in heemkundige kringen in en rond Poperinge.

De eerste die Krombeke als startpunt van de Beeldenstorm aanwees was Julien Opdedrinck. In 1898 schreef hij Poperinghe en omstreken tijdens de godsdienstberoerten der XVIe eeuw of den Geuzentijd.7 Hij was daar werkzaam als priester. In een voetnoot schrijft hij: “De kerkbrekers plunderden de kerk van Crombeke, op 9 oogst 1566. P. Heinderyckx.”8 Met deze beperkte verwijzing moet de lezer het doen en het zou dan ook nog lang duren voor het echt zou worden opgepikt.

Opdedrinck verwijst dus naar Pauwel Heinderycx. Hiermee doelt hij op de 17e eeuwse schrijver van de kroniek Jaerboeken van Veurne en Veurnambacht, die pas in de 19e eeuw zou worden uitgegeven. Het is niet Heinderycx zelf, maar de redacteur van de 19e eeuwse uitgave die de Beeldenstorm in Krombeke bespreekt. In een voetnoot neemt hij het volgende vers op, dat hij gevonden heeft op de achterzijde van een pagina in een cartularium:

Neghen daeghen naer oUst, snaeVens ten zes Uren, feL
Ghinghende gheUsen Van Roosbrigghe, zonder treUren, sneL
Naer CroMbeke en Wierpen de beeLden Uut der kerken zoet,
En hebbense gebrandt, spYts paUs, prInCe ende CLerken Vroet.

Welk catularium de redacteur bedoelt is niet duidelijk, laat staan of het cartularium uberhaupt nog bestaat. Het vers is volgens de redacteur door ene ‘Ratallez’ in het handschrift geschreven zijn. Dat zou George Rataller kunnen zijn, een 16e eeuwse rechtsgeleerde die in de jaren 1560 aan het hof van Margareta van Parma werkte. Kortom het draait allemaal om een vers dat in de 19e eeuw is geciteerd in een uitgave van een 17e eeuwse kroniek. Maar ook als dit vers inderdaad door een 16e eeuwse geleerde is genoteerd, is het een fictioneel vers waarvan we niet weten waar het vandaan komt en of het enige historische waarde heeft.

Het belangrijkste is echter de inhoud van de tekst. Er staat letterlijk dat er in Crombeke ‘beelden uut de kerken’ zijn geworpen ‘Neghen daghen naer oust’. Het Middelnederlandse ‘naer’ kan ‘naar’ betekenen, maar ook ‘na’.9 Iets anders dan ‘negen dagen na augustus’ valt hier moeilijk in te lezen. De schrijver van het vers dateert de braak in Krombeke dus op 9 september.

Na Opdedrinck wordt er door de beeldenstorm-deskundigen geen aandacht besteedt aan de Krombeke-theorie. Het is Roger Blondeau die de theorie in 1988 in zijn boek Geuzen in de Westhoek nieuw leven inblaast. Blondeau is afkomstig uit Roesbrugge, dat ook in de omgeving Poperinge ligt. Hij schreef onder andere voor de IJzerbode, een lokaal historisch tijdschrift. Hij verwijst naar de voetnoot in de kroniek van Heindericx en stelt “Als ‘neghen daeghen NAER oUst’ wil zeggen de 9e augustus, dan heeft dat te beduiden dat de beeldenstorm niet begonnen is op 10 augustus 1566 te Steenvoorde, maar de avond voordien te Krombeke.” Hij legt vervolgens uit dat Opdedrinck een gewetensvol geschiedschrijver was, die zijn historische interesse scherpte in het Stadsarchief van Poperinge. Als argument dat ‘neghen daeghen naer Oust’ niet 9 dagen na augustus betekent stelt hij dat “er in de tweede strofe sprake is van “half ouste”.10 Het klopt er in de voetnoot in Heinderycx een tweede versregel wordt geciteerd, maar op geen enkele manier wordt duidelijk dat er een verband tussen de twee verzen is, laat staan dat ze in chronologische opeenvolging gelezen moeten worden. Deze conclusie is dus onverantwoord.

Helemaal curieus is het dat Blondeau zelf in zijn boek beschrijft hoe er vanaf 5 september nieuwe acties plaatsvinden waarbij kerken die een maand eerder gespaard werden, alsnog worden aangedaan. In een aantal dorpen zoals Herzele, Ekelsbeke, Wormhout en Ledrigem wordt gepreekt en Ekelsbeke krijgt op 10 september te maken met beeldenbrekers.11 Aangezien Roesbrugge, woonplaats van belangrijk aanvoeder Jan Denys, één van de uitvalsbasissen van de beeldenstormers was en Krombeke min of meer om de hoek ligt, past een actie in Krombeke op 9 september als een hand in een handschoen. De versregel waar Blondeau aan vast houdt noemt Roesbrugge zelfs als de plaats waar de beeldenstormers vandaan komen, op weg naar Krombeke.

Door Blondeau wordt de theorie voor een breed publiek nieuw leven in geblazen. Maar in Poperinge was het idee nooit verdwenen. In 1987 publiceerde Willy Tillie, op dat moment archivaris van het Stadsarchief Poperinge, het boek De kroniek van Groot-Poperinge. Hierin schrijft hij: “9-8-1566: Zo deze datum klopt, zou Krombeke de eerste plaats zijn waar een beeldenstorm plaats vindt.” Hij formuleert het voorzichtig en meldt ook dat doorgaans Steenvoorde als beginpunt wordt aangewezen. Maar noteert het wel op 9 augustus en propageert de theorie dus expliciet.12

Tot op de dag van vandaag wordt de theorie in het circuit van amateur-historici in Poperinge actief uitgedragen. Eén van hen, zegt mij in een email dat hij de kroniek van Henderinkx helemaal heeft doorgenomen en dat deze hem met betrekking tot andere gebeurtenissen accuraat overkomt. Hij ziet derhalve geen reden aan de lezing van Henderincx te twijfelen. Hij gaat er echter aan voorbij dat het niet Henderincx is, maar de redacteur van diens kroniek die de verwijzing naar Krombeke maakt. Dat het om een versregel gaat, waarvan we niet weten of die anders dan fictioneel bedoelt is en ten slotte dat de versregel duidelijk ‘negen dagen na augustus’ luidt. Het heeft er dan ook alle schijn van dat in Poperinge vooral de wens leeft dat de Beeldenstorm bij hen in de buurt is uitgebroken.

Tot voor kort werd Krombeke in de regio Poperinge gepropageerd en het verspreidde zich dan ook niet ver. Dit veranderde afgelopen jaar toen Edward De Maesschalck zijn nieuwe boek Oranje tegen Spanje presenteerde. De Maesschalck is een Leuvense historicus die bekend is van zijn werk voor Canvas, maar ook van diverse publicaties die werden uitgegeven door het Davidsfonds. In Oranje tegen Spanje schrijft hij: “Op 9 augustus 1566 werd de kerk in Krombeke ‘gezuiverd’ en op 10 augustus die van Steenvoorde.”13

Omdat De Maesschalck geen bron geeft voor zijn Krombeke-bewering besloot ik te mailen met de vraag waarop hij dit baseert. In zijn antwoord vertelde hij me dat hij dit niet tot het bot heeft bestudeerd en is afgegaan op Roger Blondeau, aangezien hij groot respect voor diens historische kennis heeft. Ook wilde hij de recentste versie weergeven en de hypothese van Blondeau was volgens De Maesschalck recenter dan de klassieke werken over de Beeldenstorm.

Persoonlijk vind ik deze reactie en de lichtvaardigheid van een tot historicus opgeleid auteur schokkend. Beweren dat er na 1987 geen belangrijke werken op het gebied van de Beeldenstorm zijn verschenen getuigd van een povere kennis over het onderwerp. Beggars, Iconoclasts, and Civic Patriots van Peter Arnade om één voorbeeld te noemen, is uit 2009. Daarnaast is Blondeau misschien recenter dan Jozef Scheerder of Marcel Backhouse. Maar wie de meest recente werken over het onderwerp leest, zal zien dat de belangrijke literatuur-verwijzingen niet teruggaan naar Blondeau, maar naar Kuttner, Scheerder en Marcel Backhouse. Roger Blondeau wordt niet overgeslagen omdat hij niet bekend is, hij wordt overgeslagen omdat hij door de experts niet serieus genomen wordt. Maar Edward De Maesschalck volgt hem kritiekloos.
Wat ik vooral niet kan begrijpen is dat iemand die zich niet bijzonder in het onderwerp verdiept heeft, zoals De Maesschalck zelf erkend, niet gewoon de consensus volgt.

Inhoudelijk verbaast het me dat De Maesschalck de middelnederlandse versregels waar Blondeau zich op baseert heeft gelezen, maar niet herkent dat Blondeau voorbij gaat aan de letterlijke betekenis van het vers (‘negen dagen na augustus’), maar er zijn eigen draai aan geeft. Daarnaast wijst De Maesschalck mijn suggestie, dat 9 september past in het beeld van latere prikacties om kerken die nog niet bezocht zijn alsnog te kuisen, van de hand omdat volgens hem de Beeldenstorm in de Westhoek dan al uitgedoofd is. In werkelijkheid gingen dit soort acties zelfs door tot in 1568, tot de arrestatie en executie van de groep bosgeuzen rond Jan Camerlynck. Ook Blondeau beschrijft dit soort acties in het boek, dat De Maesschalck heeft gevolgd.14

Steenvoorde, 10 augustus

In het voorgaande heb ik laten zien waarom alternatieven voor de start van de Beeldenstorm in Steenvoorde niet houdbaar zijn. Maar hoe zit het dan met Steenvoorde zelf? Welke bronnen hebben we daarvoor en hoe solide zijn die?

Het verhaal over de eerste beeldenbraak is meestal zeer beknopt. De bronnen die we hebben zijn dan ook niet zo uitgebreid. Backhouse vertelt het als volgt:
“Op zaterdag 10 augustus werd in het Westkwartier het feest gevierd van St.- Laurentius in de St.-Laurentiuskapel, niet ver van Steenvoorde. Deze plechtigheid ging gepaard met een grote volkstoeloop, blijkbaar naar aanleiding van de processie die ter ere van de heilige uitging. Na enige tijd verscheen echter Sebastiaan Matte, vergezeld van Jacob de Buzere, en omringd door een zwaar gewapende lijfwacht. Wat Matte er juist vertelde is niet geweten, maar na zijn preek trok een groep aanhoorders naar de kapel en vernietigde er de beelden onder leiding van Jacob de Buzere.” 15

Backhouse geeft twee bronnen. In de eerste plaats is dat de kroniek Geusianismus flandriae Occidentalis van Charles Wynckius.16 Wynckius was een Ieperse dominicaan die verslag van de gebeurtenissen deed vanuit een katholiek perspectief. In het fragment over Steenvoorde vertelt hij dat er een grote toeloop was vanuit Ieper, om de jaarlijkse Laurentius-processie bij te wonen. Dat Wynckius de Ieperse groep zo expliciet noemt, terwijl men waarschijnlijk uit de hele omgeving samenkwam, doet vermoeden dat hij zelf aanwezig was in de Ieperse groep. Hij noemt Sebastiaan Matte die een felle preek hield, waarna een groep aanhangers de beelden in de heilige kapel te lijf ging. Belangrijk is dat Wynckius expliciet zegt dat dit de eerste beeldenbraak was. “Iconoclastae ante hunc diem in Belgio nedum aperto marte saevierant in imagenes.”17

De andere bron die Backhouse noemt is het gerechtsverslag van het proces tegen Jan Camerlynck. Een belangrijk persoon in de gewapende wacht van Sebastiaan Matte en latere aanvoeder van de Bosgeuzen. Naar aanleiding van de ondervragingen wordt het volgende genoteerd door de Ieperse Vierschaar:

“Kendt oock gheweist thebben met zyne hallenbaerde ter assistentie van den voornoemde Sebastiaan Matte up Ste-Laureys dagh in Sinte Laureys capelle by Steenvoorde, aldaer deerste braek gheschiede, nemaer ontkendt te Belle noch te Ste-Anthonis neffens Belle in de brake gheweist thebben.”18

Camerlynck geeft aan niet in Belle, maar wel in Steenvoorde geassisteerd te hebben bij de beeldenbraak, bewapend met zijn hellebaard. De Vierschaar zegt dat ‘aldaer deerste braek geweist is’. Ook hier blijkt dat betrokkenen uitgaan van Steenvoorde als de eerste vernieling van beelden.

Naast de twee bronnen die Backhouse geeft heb ik nog een derde gevonden. Stadsbesturen werden vanuit Brussel gevraagd officieel verslag te doen van de gebeurtenissen in hun stad. Dit verslag van de stad Ieper is bewaard gebleven, doordat Diegerick het al uitgaf voor de vernietiging van het stadsarchief tijdens de Eerste Wereldoorlog.19 In dit verslag zegt het stadsbestuur van Ieper het volgende:

“Ende ten zelven daghe [dit gaat over de 13e] alzoo de voors broeder Jacob de Buzere predicte te Belle, es by de sectarissen, metten zelven apostaet ghecommen, brake ghedaen in t’clooster van St Anthonis neffens Belle, hebbende de zelve sectarissen alle de beelden, outaeren, boucken ende ornamenten vander kercke ghebrocken ende te nieten ghedaen; waerof men t’Ypre ten zelven daghe, by ghemeene fame over alle de stede, gheadverteert is gheweest, ende oock ghenouch beroert, midts datter noch daer te voren een andere brake gheschiedt was up St’ Laureyns dagh, den thiensten van ougst, in St. Lauwers capelle omtrent Steenvoorde.”

Ook hier dus weer hetzelfde beeld. Voordat de storm in alle hevigheid losbarst rond Poperinge/Ieper is er één braak geweest in Belle op de 13e en één in de St.Laurentius-kapel bij Steenvoorde op de 10e.
Het mag dus duidelijk zijn uit drie bronnen (Wynckius, de procesverslagen van de Vierschaar kasselrij en verslag van het stadsbestuur Ieper) dat men er in de regio van uitging dat Steenvoorde als eerste een beeldenstorm had. Er kan dus weinig twijfel zijn dat de algemene consensus rond Steenvoorde juist is.

  1. https://nl.wikipedia.org/wiki/Beeldenstorm
  2. https://nl.wikipedia.org/w/index.php?title=Beeldenstorm&oldid=19646496
  3. DE BONDT, B., ‘Baasrode tijdens de 80-jarige oorlog (1566-1648)’, in: Heemkring Baceroth, nr. 4, 2009, 9-13.
  4. VAN VAERNEWYCK, M., Van die beroerlicke tijden in die Nederlanden en voornamelick in Ghendt 1566-1568, red. Vanderhaeghen, Gent, II, 1872-1881, 129.
  5. http://www.dbnl.org/tekst/vaer003vand01_01/vaer003vand01_01_0225.php
  6. VAERNEWYCK, Van die beroerlicke tijden, II, 129.
  7. OPDEDRINCK J., Poperinghe en omstreken tijdens de godsdienstberoerten der XVIe eeuw of den Geuzentijd, Brugge, 1898.
  8. OPDEDRINCK, 81-82.
  9. http://gtb.inl.nl/iWDB/search?actie=article&wdb=MNW&id=31537&lemma=naer
  10. BLONDEAU, R., Geuzen in de Westhoek, het epicentrum van de beeldenstorm, Gent, 1988, 67-69.
  11. BLONDEAU, 81-82.
  12. TILLIE, W., De kroniek van Groot-Poperinge, Poperinge, 1987.
  13. DE MAESSCHALCK, E., Oranje tegen Spanje, Leuven, 2015, 135.
  14. BLONDEAU, 81-82.
  15. BACKHOUSE, M., ‘Beeldenstorm en bosgeuzen in het Westkwartier (1566 – 1568)’, in: Koninklijke geschied- en oudheidkundige kring van Kortrijk. Handelingen, (38), Kuurne, 1971, 78.
  16. WYNCKIUS, C., Geusianismus flandriae Occidentalis, red. F. VAN DER PUTTE, Brugge, 1841.
  17. WYNCKIUS, Geusianismus flandriae Occidentalis, 12.
  18. BACKHOUSE, M., ‘Documenten betreffende de godsdiensttroebelen in het Westkwartier: Jan Camerlynck en tien zijner gezellen voor de Ieperse vierschaar (1568-1569)’ In: Handelingen van de Koninklijke commissie voor Geschiedenis, 138 (1972), 138-139.
  19. Archives d’Ypres: Documents du XVIe siècle, faisant suite a l’inventaire des chartes: Mémoire justificatif du magistrat d’Ypres, I.L.A. DIEGERICK, ed., 4 dln, Brugge, 1874-77.