Download PDF

Vandaag is het islamitische offerfeest en zoals elk jaar is er weer een discussie ontstaan over het verbod op onverdoofd slachten. En zoals altijd raakt het issue meteen weer verstrikt in een debat waarin religieuze minderheden die toch al onder druk staan in het defensief worden gedwongen en (extreem)-rechtse activisten (Vlaams Belang, Voorpost, NVA) goede sier maken met hun (zelden oprechte) dierenliefde. Aan de andere kant heb je de echte dierenrechten-strijders, zoals Gaia of de Partij voor de Dieren, die uit naieve dan wel opportunistische overwegingen meespelen in het spel van (extreem)-rechts. Op mijn geschiedenis-blog wil ik eens terugkijken naar de strijd tegen de Joodse rituele slacht vanaf de late 19e eeuw tot en met het nazisme.

Joodse emancipatie

De strijd tegen de Joodse rituele slacht begint al in de 19e eeuw. De eerste campagnes ontstonden in een vijandig antisemitisch klimaat dat Europa eind 19e eeuw kenmerkte.

Onder invloed van de verlichting was er eerst in Frankrijk en vervolgens in andere Europese landen een emancipatiebeweging van de Joodse gemeenschap op gang gekomen. Opgestuwd door de Franse Revolutie lanceerde Lodewijk XVI in 1791 de ‘Wet met betrekking tot de Joden’. Hierdoor konden de Joden voor het eerst volwaardig Frans staatsburger worden. Er stond wel een assimilatie-eis tegenover, die nog steeds een antisemitisch wantrouwen verraadt, maar de Joodse gemeenschap beschouwde deze verandering toch zeer positief. Zeker toen Napoleon in latere jaren overal waar hij kwam dezelfde rechten invoerde.1

De backlash van deze emancipatiebeweging kwam in de loop van de eeuw toen het sluimerende antisemitisme openlijker en kwaadaardiger werd. Het leek er op dat de Joodse gemeenschap, die zich eerder altijd afzijdig had gehouden, tijdens haar integratie op steeds meer weerstand stuitten. Een tendens die niet beter geïllustreerd kan worden, dan door de Dreyfus-affaire. Alfred Dreyfus was een hoge officier in het Franse leger die onterecht werd beschuldigd dat hij spion was voor Duitsland. Jarenlang bepaalde de rechtszaken een publiek debat dat steeds verder polariseerde. Er werden zelfs valse documenten in omloop gebracht om Dreyfus’ schuld te bewijzen. Dreyfus zat tot zijn amnestie in 1899 jaren onterecht gevangen en ondertussen raakte vrijwel elke Jood in het Franse leger verdacht. 2

Bloedbeschuldiging

In dit klimaat ontstonden allerlei andere beschuldigingen tegen de Joodse gemeenschap, die vaak gebaseerd waren op mythes die terug gingen tot in de Middeleeuwen. In de Middeleeuwen was de voornaamste beschuldiging tegen de Joden dat zij christenmoordenaars waren. Het Joodse volk had immers gezorgd dat Jezus werd gekruisigd en Joodse gemeenschappen werden hiervoor eeuwen later nog collectief schuldig verklaard. Dit ging soms gepaard met beschuldigingen van hekserij met bijbehorende pogroms. De ‘bloedbeschuldiging’, die er van uitging dat Joden het bloed van kinderen wilden nuttigen, was tamelijk absurd aangezien Joden überhaupt geen bloed mogen nuttigen.3

Een zaak waar kranten door heel Europa over schreven was het proces van Nyireghihaza. Een Joodse man in een Hongaars dorp, werd met twaalf andere mannen beschuldigd van moord op een Christelijk meisje. De zaak kwam in 1883 onder de rechter en de beschuldiging werd aangekleed als een rituele slachting in het portaal van de plaatstelijke synagoge.4 In een zeer kwaadaardig verslag enkele jaren later in de Rozendaals-Zevenbersche krant de Grondwet wordt de officier van Justitie geciteerd: “Het Hof is overtuigd dat het gegronde reden heeft om te vermoeden, dat er een vreeselijke misdaad is bedreven. Welke is evenwel de beweegreden daartoe geweest? Was zij van ritueelen aard? De volksoverlevering, volgens welke de dweepzieke Joden zich van Christenbloed bedienen om hunne Paaschbrooden te bereiden, heeft zich reeds verspreid onder vele personen, die tot de deftigste en meest ontwikkelde volksklasse behooren.”5 Dat de sentimenten die geuit worden in het Hongaarse proces geen geisoleerd geval vormen, bewijst het commentaar in deze Nederlandse krant. De schrijver concludeert: “In vroegere processen, vooral in de Middeleeuwen, waren zij wel menigmaal van die misdaad beschuldigd, maar hunne grenzelooze onbeschaamdheid en gewetenlooze knoeierijen hadden gewoonlijk een al te harde uitspraak afgeweerd of verzacht… Thans evenwel zou het vermoeden hunner bloedschuld, opnieuw verwekt, misschien wel bevestigd worden, terwijl bovendien de zaak in tegenstelling met vroegere processen over de geheele beschaafde wereld een buitengewone publiciteit had gekregen.”6

Het is ironisch dat de ‘bloedbeschuldiging’ die doorgewerkt heeft tot in de 19e eeuw (met name in Rusland) eind 19e eeuw ineens een kwartslag draait. Waar Joden eerst beschuldigd werden van het nuttigen van kinderbloed, ontstond in het laatste decennia de eerste campagne tegen ritueel slachten en lag dus ineens het laten weglopen van bloed tijdens de slacht om te voorkomen bloed te nuttigen, onder een vergrootglas. Vanaf de jaren 1880 ontstaan de eerste pogingen in Duitsland en Frankrijk om het ritueel slachten te verbieden.7 De Nederlands-Joodse krant Nieuw Israelietisch weekblad maakt in die jaren regelmatig melding van de pogingen ritueel slachten te verbieden en ziet daarin een ‘nieuwe poging de Jood in het geniep te kwellen en hen het nuttigen van vleesch onmogelijk te maken’.8

De eerste verbodsbepalingen

Met name in Duitsland nemen steeds vaker deelstaten het besluit om de rituele Joodse slacht aan banden te leggen. De discussie slaat naar andere landen over en de argumenten die aangevoerd worden klinken momenteel bekend in de oren. In Zwitzerland stelt een volksvertegenwoordiger die campagne voert tegen de rituele slacht dat het slachten van dieren, zoals Joden doen ‘een kwelling is die de humaniteit bespot’. Hij vraagt zich af waarom Joden een uitzonderingspositie voor dierenkwelling krijgen.9 Zoals ook nu in discussies over onverdoofd slachten zelden een pleidooi tegen de algemene slachtpraktijken wordt gehouden, maar enkel praktijken die door religieuze minderheden uitgevoerd mag worden, zo had de discussie ook eind 19e eeuw die toon. Voor de discussie waarin de Joodse gemeenschap steevast in het defensief wordt gedrongen, maakt het weinig uit wat de experts zeggen. Als het Handelsblad in 1894 zes hoogleraren van verschillende universiteiten aan het woord laat, blijken ze echter zonder uitzondering de Joodse slachtmethode als snel en relatief pijnloos te typeren.10

De dierenbescherming-organisaties die in de late 19e eeuw opkwamen hielden zich naast huis- en last-dieren ook bezig met de manier waarop de slacht plaatsvond.11 Nadat een verplichte verdoving werd afgedwongen, gingen de pijlen richting de Joodse rituele slacht. Voor een beweging die niet streefde naar een terugdringen van slacht an sich, getuigen woorden als ‘barbaars’ of ‘dierenkwelling’ die daarbij vaak gebruikt werden, niet van heel veel zelfkritiek. De ‘bloedbeschuldiging’-achtige terminologie verdween min of meer uit het jargon, maar al snel zou blijken dat dit sentiment alles behalve verdwenen was.

1933: algemeen verbod in Duitsland

Hoewel op lokale schaal op verschillende plaatsen in Duitsland een verbod gold voor ritueel slachten, was het regime van Hitler wel de eerste die een algemeen verbod invoerde. In april 1933 wordt dit verbod afgekondigd en op 1 mei wordt het van kracht op straffe van 6 maanden gevangenisstraf.12 Het verbod valt samen met een golf van maatregelen in het voorjaar 1933 waarin Joden uit de Duitse rechtspraak, advocatuur en notariaat worden gezuiverd. Op kleinere schaal worden er badverboden voor Joden uitgevaardigd. Ook zijn er acties van de SA die vernielingen van Joodse winkels aanrichten.13

In dezelfde periode wordt de haatcampagne in Duitsland goed in de verf gezet. Een Nederlandse journalist citeert uit een anti-Joods pamflet allerlei antisemitische clichés, waaronder de notie dat Joden in het geheim stellen dat niet-Joden geen mensen zijn maar dieren, en dat er opgeroepen wordt om mensen ritueel te slachten.14

Eénmansactie van een Nederlands raadslid

Ook in andere landen laait de discussie op na het verbod in Duitsland. In Nederland bijvoorbeeld. Het Nieuw Israelietisch weekblad meldt in 1934 hoe het mededelingenblad van de politiebond een stuk publiceert waarin een politieambtenaar aan het woord wordt gelaten, die daar spreekt dat het ‘noodeloos wreed’ is om dieren onbedwelmt te slachten. De Joodse krant merkt fijntjes op dat onder dat eufemistische ‘bedwelmen’ wordt verstaan dat het rund een kogel door zijn hersenen krijgt gejaagd en spreken in de titel van ‘ophitsing door de politiebond’.15
In de gemeenteraad van Rheden is een raadslid dat de zaak aankaart. Raadslid Posthumus Meyes wil dat het ritueel slachten in die gemeente wordt verboden en vraagt de raad dat zij dit ook landelijk zullen aankaarten. Hij schrijft hiervoor een concept-brief voor de konigin met het verzoek dat er werk wordt gemaakt van een landelijk verbod. Posthumus Meyes laat zich inspireren door de aanpak van het nieuwe Duitse regime en spreekt van ‘een gruwelijke foltering, een ten hemel schreiende misdaad, een barbaarsche mishandeling’. Het Nieuw Israelitisch weekblad reageert nijdig op de verwijzing naar Duitsland:”Nu is het juist, dat in Duitschland het ritueele slachten verboden is, maar het is ook juist, dat in dat land de doodstraf — voor menschen — met de handbijl weer is ingevoerd; wat dat land beveelt of verbiedt of veroorlooft, noodigt dus niet bij voorkeur tot navolging uit.” Ook constateert het weekblad in haar commentaar dat als het Postumus Meyes het om dierenwelzijn te doen was hij nog zoveel te doen heeft, maar dat hij liever tekeer gaat tegen een kleine minderheid.16

De raad van Rheden reageert nuchter op het voorstel van Posthumus Meyer. Ze constateren dat de voorgestelde bedwelming uitgevoerd wordt met ‘penschiettoestellen’, maar dat niet bewezen is dat deze methode minder mishandelend is voor het dier dan de Joodse rituele methode. Bovendien wijzen ze er op dat dit beter landelijk aangeklaagd kan worden door een organisatie als de dierenbescherming, maar dat juist die organisatie in haar orgaan heeft geschreven de actie van Postumus Meyer niet te steunen.17 Het is inderdaad opmerkelijk dat op dit moment de Dierenbescherming de strijd tegen onverdoofd slachten niet steunde. Wellicht zijn ook zij geschrokken van het klimaat waarin het Duitse verbod is doorgevoerd. Postumus Meyes is woedend als de gemeenteraad zijn voorstel verwerpt en neemt tijdens de vergadering ontslag.18

Internationaal congres van Dierenbeschermingsorganisaties

Een jaar later vindt in Brussel het internationaal congres plaats van de dierenbeschermingsorganisaties. Hier wordt ook over de rituele slacht gesproken. Onverdoofd slachten wordt hier als ‘ongeoorloofd’ getypeert en er wordt een verbod op de rituele slacht geeist. Het congres roept een bepaling in de Zwitserse wetgeving aan, die stelt dat godsdienstvrijheid gerespecteerd moet worden, mits deze niet in strijd is met de ‘gewoonten en goede zeden’.19 Door de aanwezigheid van een Duitse delegatie is het moeilijk voorstelbaar dat de internationale dierenbescherming niet meevaart op het succes van het verbod op de rituele slacht in Duitsland. Men pleit immers voor een totaal verbod op rituele slacht in plaats van te zoeken naar een tussenoplossing.

Inmiddels is er in Nederland een andere vereniging die nu actie gaat voeren tegen de rituele slacht. De heer Knoest is de voortrekker van deze campagne; hij schrijft brieven naar het ministerie van Buitenlandse zaken en de Koningin met het verzoek mee te werken aan een internationaal verbod. De minister reageert afwijzend, terwijl hij wijst op de economische crisis die hem noopt zo weinig mogelijk aan internationale congressen mee te werken. De Dierenbescherming steunt de acties van deze vereniging niet, ze wijzen op de anti-semitische sentimenten bij deze acties. “Moeten wij nu eene campagne gaan openen, om de ritueele slachtwijze door een wet verboden te krijgen, waar overigens nog zooveel op ergerlijke wijze wordt geslacht?”20

In bezettingstijd

Het zou nog enkele jaren duren, maar de invoering van het verbod op ritueel slachten kwam er toch. Hitler liet in elk land dat hij bezette al snel een verbod op de rituele slacht invoeren. In Nederland was die maatregel onderdeel van de eerste serie maatregelen waaronder ook het zuiveren van de strijdkrachten behoorde. In juli werd het verbod al van kracht. In Belgie werd het verbod in oktober 1940 ingevoerd.21
Dat het naziregime het verbod steeds tijdens de eerste serie maatregelen opnam, zowel in Duitsland zelf, als de bezette landen, is betekenisvol. Voor de propagandamachine die een bevolking moest klaarstomen voor de draconische maatregelen die tegelijkertijd plaatsvonden was het essentieel om de Joodse gemeenschap zo zwaar mogelijk te demoniseren. Terugvallen op de bloedbeschuldiging, die in het collectieve bewustzijn nog altijd sluimerend aanwezig was, was dan ook zeer effectief. In de propagandafilm Der Ewige Jude (1940) wordt de rituele slacht dan ook zwaar aangezet. De slacht wordt zo bloederig mogelijk in beeld bebracht en zo gemonteerd dat aanwezige Joden lachend knikkend toekijken. De scene, die wordt opgerekt tot ongeveer 7 minuten, vindt plaats in de climax van de film, als een soort haat-orgasme.

  1. SMELIK, K., Herleefde tijd, een Joodse geschiedenis, Leuven, 2004, 240-241.
  2. https://nl.wikipedia.org/wiki/Dreyfusaffaire
  3. SMELIK, K., Herleefde tijd, een Joodse geschiedenis, Leuven, 2004, 201.
  4. De Tijd, 22-6-1883; De Grondwet, 7-4-1889.
  5. De Grondwet, 7-4-1889.
  6. De Grondwet, 7-4-1889.
  7. Nieuw Israelietisch weekblad, 18-12-1885.
  8. Nieuw Israelietisch weekblad, 21-8-1885.
  9. Nieuw Israelietisch weekblad, 2-2-1894.
  10. Het Handelsblad, 15-4-1894.
  11. http://g-geschiedenis.eu/2014/08/26/150-jaar-dierenbescherming/
  12. Nieuwsblad van het Noorden, 5-4-1933.
  13. De Telegraaf, 29-3-1933; Nieuwsblad van het Noorden, 29-3-1933; Nieuw Israelietisch weekblad, 2-6-1933
  14. Leeuwarder Courant, 28-4-1934.
  15. Nieuw Israelietisch weekblad, 14-9-1934.
  16. Nieuw Israelietisch weekblad, 9-2-1934.
  17. Arnhemse Courant, 11-5-1934.
  18. De Telegraaf, 12-5-1934.
  19. De Telegraaf, 18-8-1935.
  20. Nieuw Israelietisch weekblad, 17-5-1935.
  21. BRONZWAER, Maastricht en Luik bezet, Hilversum, 2010, 191.