Download PDF

(Dit artikel is mijn schriftelijke voorbereiding voor de lezing die ik afgelopen dinsdag hield tijdens de Davidsfonds-studiedag te Ieper, aangevuld met beelden uit de powerpoint-presentatie. Het heeft overlappingen met het eerdere artikel op deze blog over de Beeldenstorm in Ieper, maar besteed daarnaast ook aandacht aan hagenpreken en de beeldenstormen in Steenvoorde en Poperinge.)

Deze maand was het precies 450 jaar geleden dat de Beeldenstorm, een golf van vernielingen in kerken en kloosters, door de Nederlanden raasde. Een gebeurtenis die ontstond in onze regio: het Westkwartier, zoals de Westhoek in de 16e eeuw nog genoemd werd. Dit omvatte de kasselrijen, Ieper, Veurne, Waasten, Sint-Winoksbergen, Broekburg, Cassel en Belle.

In het voorjaar van 1566 waren veel hagenprekers actief. Twee van hen springen er uit als de aanvoerders van de Beeldenstorm in deze regio. Jacob De Buysere en Sebastiaan Matte. Beide mannen hadden een band met de stad Ieper. De Buysere had hier in het Augustijner klooster gezeten totdat hij het klooster verliet om zich als predikant in te zetten voor het protestantisme. Hij kwam terecht in Engeland, waar hij eerst in de vluchtelingengemeente in Londen verbleef, waarna hij predikant werd in de vluchtelingengemeente van Sandwich. Sebastiaan Matte verbleef ook in die gemeente in de aanloop naar de Beeldenstorm. Matte was geboren in Ieper en wordt in de bronnen beschreven als een kleine dikke man met een baardje. Van beroep was hij hoedenmaker geweest, voordat hij Ieper verliet.

Omdat we niet alle gebeurtenissen in detail kunnen behandelen en de Beeldenstorm in Ieper het onderwerp van deze lezing is, zullen we vooral het pad van Sebastiaan Matte volgen, zoals hij dat in het jaar 1566 aflegde. De Buysere en Matte keerden samen uit Sandwich terug en werkten nauw samen, maar tijdens de Beeldenstorm scheidden hun wegen om elk een regio te bestrijken en het was Matte die op 15 augustus voor de poorten van Ieper stond en gezien moet worden als de aanvoerder van de Beeldenstorm in deze stad. We gaan terug naar het voorjaar van 1566.

Een schets van de situatie

In de late Middeleeuwen was het graafschap Vlaanderen economisch voor een groot deel afhankelijk van de lakenhandel. Steden zoals Ieper, Poperinge, Cassel en Sint-Winoksbergen waren groot geworden door de productie van kwaliteitslaken. Vanaf de tweede helft van de 15e eeuw werd die markt overgenomen door Engeland, met een economische terugval in de Vlaamse lakensteden als gevolg. In het Westkwartier profiteerde de plattelandsindustrie, die zich concentreerde op het goedkopere ‘saai’, geproduceerd van lokale of Spaanse wol. Kleine plaatsen zoals Nieuwkerke en Hondschote groeide in korte tijd uit tot steden van betekenis. Hondschote groeide als één van de centra van de saai-industrie, uit van een paar duizend, naar 15.000 inwoners. Elke dip in de internationale markt kon echter voor grote werkloosheid zorgen.

De winters voor 1566 waren zeer streng geweest. De winter van 1566 was zacht, maar de tekorten waren nog groot en nat weer zorgde voor een slechte oogst. De graanprijzen bleven hoog en de sociaal-economische ontevredenheid nam toe.

Tegen deze achtergrond zien we een opkomst van het calvinisme vanaf de jaren 50 en vooral de jaren zestig van de 16e eeuw. Aanvankelijk waren het in de Nederlanden vooral Luthersen en anabaptisten die het protestantisme kleur gaven. Vanuit het zuiden werd de invloed van Calvijn steeds groter. De toon van de calvinisten was feller. Ze waren sterker gekant tegen de beeldenverering en waren minder geneigd om het overheidsgezag te erkennen.

De Spaanse koning Filips II maakte die verschillen allemaal niet veel uit. Iedereen die de Rooms-katholieke hiërarchie niet erkende moest in zijn ogen bestreden worden. De plakkaten die de inquisitie in de Nederlanden voorschreven stamden al uit de tijd van Karel V, maar Filips scherpte die nog verder aan. In Vlaanderen waar het protestantisme steeds populairder werd, betekende dit een toename van de vervolgingen. Velen namen de vlucht naar Engeland, naar de gemeenten in Londen en Sandwich. Het kustplaatsje Sandwich, waar de latere aanvoerder van de Beeldenstorm Jacob de Buysere predikant was, groeide uit tot een uitvalsbasis van verzet. Gedurende de jaren zestig werden van hieruit de eerste acties ondernomen, bijvoorbeeld om gevangen protestanten te bevrijden.

Het Eedverbond der edelen

Eind 1565 was het eedverbond der edelen ontstaan. Ze verenigden zich om een vermindering of afschaffing van de godsdienstvervolgingen af te dwingen. Op 5 april 1566 boden zij aan landvoogdes Margareta van Parma, hun smeekbede aan. Hierin vroegen ze niet alleen om vermindering van de plakkaten. Ze hadden ook een waarschuwing voor de koning. Er zou wel eens een openlijk verzet kunnen ontstaan als de vervolgingen niet zouden afnemen. Margareta zei in haar antwoord dat de uitvoering van de plakkaten verzacht zou worden, in afwachting van het antwoord van koning Filips II.
In de weken die volgde ontstond een pamfletten-oorlog die in de tijd van ‘Social media’ niet misstaan zou hebben. Tegenstanders van het verbond dikten de waarschuwing aan tot een oproep tot rebellie, voorstanders bazuinden rond dat het protestantisme niet langer vervolgd zou worden. Margareta voelde zich genoodzaakt om een waarschuwing uit te laten gaan dat er valse versies van de smeekbede rondgingen.1

Hagenpreken

Het nieuws bereikte ook al snel de Engelse vluchtelingengemeenten. In mei staken de eerste groepjes over van Sandwich naar Calais of Oostende om van daaruit door te trekken naar Hondschote. Hondschote was een ideale uitvalsbasis, hier was het protestantisme zeer populair en bovendien was het een plaats met stedelijke proporties, maar zonder stadsmuren, zodat iedereen makkelijk in en uit kon. Onder die eerste groep teruggekeerde vluchtelingen bevonden zich Jacob de Buysere en Sebastiaan Matte.

De eerste preek in 1566 die in de bronnen opduikt is die van Sebastiaan Matte op 26 mei. Hij was net uit Engeland teruggekeerd en hield zijn eerste preek op een plek niet ver van Roesbrugge die ‘Ten Vijf Weghe’ heette.2 Vermoedelijk is dit het vijf-wegenpunt, dat tegenwoordig les Cinq Chemins heet, halverwege Steenvoorde en Hondschote. De preek werd na het invallen van de nacht gehouden en het vijf-wegenpunt was een strategische keuze: iedereen kon snel naar alle kanten wegvluchten. Die eerste preken werden nog op deze manier georganiseerd; al snel zou men de preken overdag gaan houden en werden ze ook openlijk aangekondigd.

Na de eerste preek op ‘Ten Vijf Weghe’ volgde er een ware tournee van Matte. Killem, Roesbrugge, Sint-Winoksbergen en Hondschote werden in die periode allemaal aangedaan door predikant Matte, die zich liet begeleiden door een bewapende wacht die hem moest beschermen tegen het eventuele ingrijpen van het gezag.3

Over de inhoud van de preken weten we niet zo heel veel. Er zijn geen volledige preken bewaard gebleven en van Sebastiaan Matte zelf is helemaal geen tekst bewaard gebleven. Wel zijn er hier en daar uitspraken van bezoekers van de hagenpreken opgetekend, die niet direct over de inhoud van de preek gaan, maar wel verraden wat hier besproken werd.
Uitspraken van bezoekers van de hagenpreken gaan vaak over afgoderij. Wouter Bevelen, een beeldenstormer die de leiding had tijdens de bestorming in de Sint-Pieterskerk in Ieper zei: ”Het moet al af, het moet ghebroken zijn, men hebter al te veele afgoderie mede ghedaen.”4 Karel Boeve die ondervraagd wordt als hij met een paar honderd Ieperlingen naar een hagenpreek is geweest zegt dat, “Baal den afgodt eertyds veele jaeren gheert was ende op ‘t laetste verworpen”5
De afgoderij, gekoppeld aan het verhaal van de Baal-verering is een terugkerend thema als men ondervraagd wordt. Dat gebeurt zo vaak door leken, dat het ondenkbaar is dat dit niet ook een terugkerend thema was tijdens de hagenpreken.

Hoewel er veel meer hagenprekers actief waren springen er in het Westkwartier drie bovenuit. Jacob De Buysere, Anthonis Algoet en Sebastiaan Matte. Hun preken worden in de bronnen het meest genoemd. Dat betekent niet perse dat ze de meeste preken hielden, maar wel dat hun preken de meeste indruk maakte. Dat mag ook blijken uit de opkomstgetallen die soms genoemd worden. Dat loopt meestal in de honderden bezoekers, maar er waren uitschieters in de duizenden. Zo hield Sebastiaan Matte een preek bij Hondschote op 21 juli waar in de bron een schatting van 8000 bezoekers wordt genoteerd.6 Als bij Ieper op 4 juli, Tuindag, preken gehouden worden door Jacob de Buysere en Anthonis Algoet schat kroniekschrijver Auguystyn van Hernighem de opkomst op wel 25.000.7 De getallen zullen overdreven zijn, maar dat de opkomst de voorstelling van ooggetuigen te boven ging, mag daaruit zeker blijken.

Het stadsbestuur van Ieper voelt de spanning

In de periode van de hagenpreken is de toenemende spanning voelbaar. Zoals de preken aanvankelijk heimelijk plaatsvonden, in de late avonduren en dan geleidelijk openlijker, overdag en met een grotere mond tot mond reclame; zo nemen de zorgen bij stadsbesturen, zoals die van Ieper, gaandeweg toe. In het verslag dat ze achteraf schreven, maar ook in de kronieken is die spanning in detail te volgen.8
Ook waren er al incidenten vanaf begin juli. Zo was er op 7 juli een preek bij Armentieres, waarna twee gevangen protestanten werden bevrijd. Dit nieuws bereikte Ieper al binnen een aantal dagen. Op 25 juli hield Algoet een preek in Waasten. Na de preek kwam een groep calvinisten terug naar Ieper en trok door de stad terwijl ze psalmen ‘in de Vlaemsche taele’ zongen. Een groep bewapende mannen onder hen hield halt bij het huis van een schepen van de stad en zong demonstratief een paar psalmen.9 Mede reagerend op deze provocatie riep het stadsbestuur de volgende dag de gildehoofden bij elkaar om afspraken te maken over de verdediging van de stad.

Het was geen overdreven reactie want in dezelfde dagen gingen de eerste geruchten dat er binnen de stadsmuren van Ieper gepreekt zou worden op Tuindag, 4 augustus. Dit was een Ieperse feestdag ter ere van de heilige Maria van Tuyne, waarmee het weerstaan van een beleg van Engelse troepen in de 14e eeuw werd gevierd. Dit was de drukste dag van het jaar in Ieper en men maakte zich terecht grote zorgen dat hier ook nog eens protestanten uit de hele omgeving op af zouden komen, in een toch al broeierig klimaat. Op 3 augustus werd het poortbeleid ingevuld: Van de acht stadspoorten zouden er vijf dicht zijn en alleen de Boterpoort (tegenover het hedendaagse station), de Antwerpse poort (de huidige Menenpoort) en de Boesingepoort (ter hoogte van het huidige Minneplein) zullen met extra bewaking open zijn. De ommegang van OLV van Tuyne werd uit angst voor ongeregeldheden geschrapt. Het poortbeleid werd niet zonder discussie ingesteld, enerzijds omdat sommige betwijfelden of er echt rottigheid van zou komen, maar ook omdat enkelen aangaven dat zij de preken zelf wilden bezoeken.10

Op Tuindag trokken grote groepen, die vanuit allerlei richtingen naar Ieper trokken, door de stad terwijl ze psalmen zongen. De preken werden net buiten de Antwerpse poort gehouden. Hoe de geruchten dat de preken in de stad zelf zouden plaatsvinden ontstaan zijn, is natuurlijk niet te achterhalen, maar dat het opzettelijk als provocatie de wereld in is geholpen, kan niet uitgesloten worden. Uiteindelijk vonden er geen incidenten plaats, maar de grote opkomst, op 25.000 geschat door ooggetuigen, maakte dit de grootste hagenpreek die in het Westkwartier plaatsvond. Het stadsbestuur bleef zich zorgen maken. De bijstand die ze aan de graaf hadden gevraagd bestond uit 12 hallebardiers en ze melden in het verslag met teleurstelling dat slechts 12 hallebardiers, die nauwelijks over bussen beschikten, toch niet genoeg was om de stad te verdedigen.11

In de aanloop naar Tuindag had er ook bij Veurne nog een incident plaatsgevonden. Op 1 augustus had een groep van enkele honderden onder leiding van Jan Denys en Sebastiaan Matte geprobeerd de stad in te nemen.12 Jan Denys was een voormalig baljuw van Roesbrugge die zich gedurende het jaar liet zien als aanvoerder van de gewapende wacht van Sebastiaan Matte en na de beeldenstorm als aanvoerder van het geuzenleger dat bij Wattrelos en Lannoy werd verslagen.

Van Steenvoorde….

Op 10 augustus sloeg de vlam in de pan. Die dag is de naamdag van Sint-Laurentius en daarom was er jaarlijks een processie vanuit de Sint Laurentius-kapel niet ver van Steenvoorde. Die kapel stond vermoedelijk op de plek of in de buurt van het Sint-Laurentius-klooster dat daar in de 17e eeuw zou komen en waar ook vandaag nog een klein gehucht met de naam Saint Laurent is.

Op Sint-Laurentius-dag stroomden vanuit de omgeving mensen toe om de processie bij te wonen. Zo ook een groep uit Ieper, zo lezen we in de kroniek van Charles Wynckius, de prior van de Dominicanen. Ook uit Hondschote arriveerde een groep mensen, waaronder een aantal protestanten met Sebastiaan Matte. Deze hield een hagenpreek, waarna zijn volgelingen naar de kapel trokken en daar de aanwezige heiligdommen vernielden.13

In de meeste publicaties wordt gemeld dat Jacob De Buysere deze bestorming aanvoerde. Dat lijkt niet aannemelijk. De Buysere liet op andere plekken altijd anderen het werk doen, zoals Matte dat ook deed. In de bronnen die over Steenvoorde gaan, zoals de kroniek van Wynckius, wordt De Buysere zelfs niet genoemd. Meer waarschijnlijk is het dat de beeldenbraak werd aangevoerd door Jan Camerlynck en Jan Denys. Zij waren op de meeste andere plekken waar Sebastiaan Matte preekte de aanvoerders van de beeldenbraak en Jan Camerlynck heeft in zijn verhoor toegegeven dat hij het was die Matte assisteerde te Steenvoorde met zijn hallebaard.14

Waarom brak de beeldenstorm nu juist in Steenvoorde uit? Uit het voorgaande is duidelijk geworden dat de spanning in de regio voelbaar was en per week toenam. Verder werden hagenpreken tot het begin van de Beeldenstorm altijd gehouden op zondagen of feestdagen. De processie op Sint Lauretius-dag was waarschijnlijk vooral een gelegenheid die zich op het juiste moment voordeed. Het toeval wil echter dat Sint Laurentius door de gehate koning Filips II als patroonheilige omarmd was, nadat hij op 10 augustus 1557 tijdens de Italiaanse oorlog een vernietigende slag tegen de Franse koning had gewonnen. De symbolische waarde van dit feit zal misschien hebben meegespeeld.

De beeldenbraak te Steenvoorde deed een schok door de regio gaan. Wynckius zou in zijn kroniek schrijven dat het ongehoord was, zoiets was in de Nederlanden nog nooit gebeurd.

…naar Poperinge

Na Steenvoorde was het een paar dagen stil. Op 13 augustus werd na een preek van Jacob De Buysere het Sint-Anthonius-klooster bij Belle bestormd. Met zijn groep beeldenstormers zou hij in de regio Belle rondtrekken. Maar wij zullen de route van Sebastiaan Matte volgen en die duikt op 14 augustus op in Poperinge.

Matte hield een preek op het kerkhof van de OLV-kerk. Het was zonder twijfel een zeer opruiende preek. Ook liet hij een zogenaamde brief van de koning zien die het breken van de beelden zou toelaten. Zijn toehoorders gingen de OLV-kerk binnen en begonnen alle beelden en heiligdommen te vernielen. Anderen trokken naar de Sint-Bertinuskerk en de Sint-Janskerk; ook de kapel van het gasthuis en het klooster van Sint-Franciscus werden bestormd. Poperinge had niet alleen de primeur van de valse brief, maar het is ook de eerste plaats waar een groep beeldenstormers systematisch een hele stad heeft uitgekamd.15

Jacob Pladijs schrijft in zijn kroniek dat de geusgezinden ‘alles santen van boven neder staken’…en alle ornamenten, klederen, boeken en kelken. De sacramenten vertrapten ze met hun voeten, ze sloegen en smeeten de priesters. ‘Als dit boos volk eenige crucifixen om verre smeten, zoo riepen sy: Vive les gueux!’

Een groep calvinisten voor de stadspoort

In de nacht van 14 op 15 augustus werden onder andere de kerken van Reningelst en Elverdinge vernielt. Het was duidelijk dat de groep beeldenstormers op weg was naar Ieper. Volgens één van de kronieken bereikte het bericht dat de kerken van Poperinge vernield waren, het stadsbestuur van Ieper kort nadat graaf Egmont vertrokken was. Het stadsbestuur had hem nog gevraagd om te blijven, zodat de stad de komende problemen zou kunnen afwenden, maar de graaf zei dat zijn aanwezigheid elders gewenst was en vertrok.16

Of het Sinte Clarenklooster het eerste doelwit was op 15 augustus is niet helemaal duidelijk, maar volgens ooggetuigen werd daar zeker al vanaf acht uur ’s morgens gebroken en geplunderd. Rond dat tijdstip ging het nog om een kleine groep. Een groep van ongeveer acht mensen vernielde in de voorkerk de beelden en altaren. Onder hen zijn in ieder geval de Ieperlingen Joos Daten en Jacob van Nieuwenhuus, samen met enkele vreemden die door ooggetuigen Hondschotenaren worden genoemd.

Gewapend met een happe (een soort bijl) of andere werktuigen werd er stevig op ingehakt. Ook het orgel dat in het vrouwenkoor stond, moest er aan geloven. Een aantal mannen trok langs de kamers van de zusters om er de deur te forceren en kleine beeldjes, juwelen en kralenkettingen kapot de smijten. Pieter de Cock, een lange man met een baard, forceerde met een paar anderen de deur naar de wijnkelder. In de loop van de ochtend groeide de groep snel aan en rond twee uur waren er minstens 40 mensen die met de geplunderde wijn- en voedselvoorraden een waar feestmaal hadden ingericht. Sommigen waren al flink dronken. Niet iedereen kwam voor het feestje. Joos Daten en Jacob van Nieuwenhuus zeiden, nadat ze klaar waren met het aanrichten van een ruïne in het vrouwenkoor, dat ze nu naar het Nonnenbosch zouden gaan.

De zusters hadden zich ’s morgens vroeg ingesloten in één kamer uit angst voor bloedvergieten. Ze verlieten de ruimte pas rond 5-6 uur ’s middags en zagen toen de enorme ravage die was aangericht. Ook de andere kerken en kloosters die zich net buiten de stad bevonden, zoals Sint Jans, Brielen, het Augustijnen-klooster en Nonnenbosch werden op deze dag bestormd. Daarover zijn niet zulke gedetailleerde beschrijvingen bekend als over Sinte Claren, maar ook daar was de schade groot.17

Het stadsbestuur kwam ’s morgens vroeg bijeen en besloot om die dag alle poorten gesloten te houden. Sebastiaan Matte, die inmiddels met zijn gevolg voor de poort stond, verzochten ze te vertrekken zonder problemen te maken of de stad in te komen. Matte overlegde met zijn assistenten, weigerde het verzoek, maar zei dat hij ziek was, en nam zijn intrek in een herberg in de buurt van de Boezingepoort. De groep voor de poort groeide uit tot een grote menigte die het moment afwachtte dat ze de stad konden binnengaan. De gemoederen raakten af en toe verhit, waarbij er gedreigd werd met bloed vergieten, mochten ze de stad in komen. Ook richtte iemand dreigend zijn geweer op de baljuw die op de poort aanwezig was. In Ieper zelf begon men ondertussen in kerken en kloosters zoveel mogelijk spullen in veiligheid te brengen.18

’s Avonds ging Lucas Bouvet, een medewerker van de hoogbaljuw, nog naar de herberg om Sebastiaan Matte te overtuigen niet over te gaan tot de bestorming van de kerken in Ieper. Matte antwoordde hierop dat de mensen die zouden gaan breken allang binnen de stadsmuren waren.19

 

Beeldenstormers in de stad

In het verslag dat het stadsbestuur achteraf voor de Raad van Vlaanderen schreef, wekten ze de illusie dat ze de poorten op 15 en 16 augustus hermetisch gesloten hielden en streng bewaakten. Erg geloofwaardig is die verklaring niet; van tenminste twee Ieperse aanvoerders, namelijk Joos Daten en Jacob van Nieuwenhuus, weten we dat ze op 15 augustus nog actief waren in het Sinte Clarenklooster buiten de stad, terwijl ze de volgende dag al vroeg werden gesignaleerd in de Sint-Pieterskerk binnen de stadsmuren. Ook worden al ’s morgens vroeg diverse vreemdelingen of Hondschotenaren gezien, die dus blijkbaar zonder probleem de stad ingekomen waren.20

Schatbewaarder van de stad, Marcx de Wilde lichtte een tipje van de sluier. Hij vertelde hoe mensen per twee of meer de stad ingelaten werden op verschillende tijden op voorwaarde dat ze iemand in de stad kenden of er iets te doen hadden. Voor de Ieperse beeldenstormers zal het eenvoudig geweest zijn binnen te komen, maar ook vreemdelingen slaagden hier dus in. Het is niet ondenkbaar dat sommige poortwachters uit sympathie met de calvinisten niet altijd even streng waren.

Hoeveel Hondschotenaren er in de vroege ochtend in de stad waren is niet helemaal duidelijk. Marcx de Wilde heeft het over ongeveer 300 personen van buiten Ieper. Althans dat heeft hij naar eigen zeggen gehoord. Dat lijkt sterk overdreven, want het sluit niet aan bij de ooggetuigenverslagen die meestal veel deelnemers wisten te identificeren. Van Hernighem meldt dat er zo’n 25-30 vreemden waren binnen geraakt, maar dat inwoners van de stad zelf “’t meesten grief deden”.21 Dit beeld is realistischer.

Rond vijf uur begon de beeldenstorm in de Sint-Pieterskerk. Kerkmeesters Pieter de Schildere en Andries Cousyn waren nog druk bezig om zoveel mogelijk in veiligheid te brengen toen zij een groep, gewapend met happen en ander werktuig, de kerk zagen binnenkomen. Die begonnen meteen van alles te breken. Ze probeerden hen te overtuigen dan tenminste het orgel met rust te laten, maar Wouter Bevelen, een molenaar die door diverse getuigen als een soort aanvoerder werd aangewezen was onverbiddelijk. “Neen, het moet al af, het moet ghebroken zijn, men hebter al te veele afgoderie mede ghedaen.” En dus moest naast beelden, altaren en panelen ook het orgel er aan geloven. Wouter Bevelen had zich bij de deur gezet en betaalde iemand om bij een andere deur te waken zodat er niets naar buiten gebracht kon worden.22

De ooggetuigenverslagen geven een vrij goed beeld van de momenten op de dag dat in een bepaalde kerk begonnen werd met breken en zo is er redelijk goed een route te reconstrueren. Dit beeld van die route komt ook overeen met de aantallen mensen die meededen. Bij de Sint Pieterskerk was dat nog een klein groepje, tegen het eind van de route, in de Sint-Maartenskathedraal was de groep uitgegroeid tot enkele honderden. Dat de Sint Pieterskerk als eerste aan de beurt was is niet onlogisch. Het is de kerk die het verst van het echte centrum lag en ook van de Boezingepoort, waar de dag ervoor een grote groep calvinisten verzameld was. Het lijkt aannemelijk dat een kleine groep, die werd aangestuurd door Matte, er gebruik van maakte dat de grote groep de aandacht afleidde en via de Meessenpoort, de huidige Rijselpoort binnenkwam. Daar wachtte ze tot de vroege morgen om de beeldenstorm te starten.

Extra interessant is het dat een huis van de familie Matte op een paar honderd meter van de Sint Pieterskerk stond.23 Het is mogelijk dat het clubje Hondschotenaren daar heeft gewacht op het startmoment. Het groepje stond onder leiding van Jan Denys, de ex-baljuw van Roesbrugge en Jan Camerlynck de latere aanvoerder van de bosgeuzen die nog tot 1568 terreur in het Westkwartier zouden zaaien.

In hetzelfde deel van de stad werd ook het klooster van de Grauwe broeders en de Dominicanen bestormd. Het is mogelijk dat de groep hier nog gezamenlijk voorttrok. Volgens Van Hernighem ging men van de Dominicanen naar de Sint-Nicolaaskerk. Daarna naar de Sint-Maartenskerk en verder naar het klooster van de Minder broeders. Dat is geografisch gezien een logische route. In de Sint-Nicolaaskerk was de verwoesting ook groot. Rond twee uur zegt een ooggetuige een aantal mannen gezien te hebben die nog wat beelden wilden komen breken, die volgens haar allang vernield waren.

In de Sint-Maartenskerk begon de beeldenstorm pas laat. Quinten Thomare, klokkenluider van de kerk deed tussen 9 en 10 uur persoonlijk de deur open. De belangrijkste Ieperse beeldenbrekers, Pieter de Cock, Wouter Bevelen en Jacob van Nieuwenhuus werden hier gesignaleerd. Maar de groep was behoorlijk aangegroeid. Zo werden er mensen gezien uit de omgeving van de kerk, zoals bijvoorbeeld Steven Velles die in de Boterstraat woonde. In elke hoek waren wel een aantal mannen met stokken of bijlen bezig om beelden, altaren, orgels en nog veel meer te vernielen. Het ging hier ook de hele middag door, zelfs aan het begin van de avond waren er nog beeldenbrekers actief.24

Bijna alle kloosters en kerken zijn bezocht en grotendeels vernield. De uitzondering is het klooster van de zwarte zusters. Zij konden zich goed beschermen doordat de hoogbaljuw hen 15 mannen ter bescherming had gestuurd.25

Jan Denys bracht verslag uit bij Sebastiaan Matte die de hele dag heeft gewacht buiten de stadsmuren. Toen die hoorde dat in de kerken alles gebroken was, vertrok hij met zijn gevolg naar Brielen waar hij nog een preek hield. Op de dag zelf greep het stadsbestuur nauwelijks in. Er werd alleen rond het middaguur een gebod uitgevaardigd dat het niet toegestaan was binnen te gaan in particuliere huizen van geestelijken om te vernielen of mensen te bedreigen. Anthonie Andries en Steven Castelain overtraden dit gebod nadat ze het huis van een kerkbewaarder binnengingen, en vernielingen aanrichtten. Andries werd veroordeeld tot de galg en Castelain verbannen. De andere gevangene die dag is Hans Tavernier die een OLV-beeld tegenover het Belfort vernielde.26

Als de stofwolken zijn gaan liggen

De dag na de beeldenstorm hield men vast aan het gevoerde poortbeleid. En de katholieke missen werden tijdelijk uitgesteld. Pas op 29 augustus werd er voor het eerst weer een mis gehouden in Ieper. Op verzoek van de centrale overheid schrijft het stadsbestuur een uitgebreid verslag van de gebeurtenissen, waarna uiteindelijk de ingestelde Raad van Beroerten alsnog een grote groep Ieperlingen wegens deelname aan de beeldenstorm veroordeelde.

Waar de Beeldenstorm in de westhoek werd aangevoerd door de harde kern rond Sebastiaan Matte en Jacob de Buysere waren zij niet in Ieper zelf aanwezig. Hier was op 15 augustus een beperkte groep binnengeraakt van ongeveer 30 mannen. Een deel van hen waren Ieperlingen die door ooggetuigen werden herkend en die ook al actief waren op 14 augustus in Poperinge en op 15 augustus in de kloosters en kerken buiten Ieper. De belangrijksten hiervan waren Wouter Bevelen, Pieter de Cocq, Joos Daten en Jacob van Nieuwenhuus. Omstanders wezen hen ook aan als aanvoerders, samen met enkele mannen die door omstanders Hondschotenaren of vreemdelingen werden genoemd. De belangrijksten hiervan waren zonder twijfel Jan Denys en Jan Camerlynck, van wie we uit andere bronnen weten dat zij de Beeldenstorm leidden, in opdracht van Sebastiaan Matte, die buiten de stad verbleef.

In de geschiedschrijving wordt meestal gesteld dat Beeldenstormen door kleine groepjes werden uitgevoerd en dat er geen sprake was van een spontane volkswoede. Met enige nuance kan dit ook voor Ieper gesteld worden. Dat wil zeggen, er was duidelijk sprake van een georganiseerde Beeldenstorm die werd aangestuurd door de groep rond Matte, maar tegelijkertijd moet wel vastgesteld worden dat de Beeldenstorm in Ieper wel ondersteund door veel stadgenoten die spontaan gingen mee doen. Het totaal aantal Beeldenstormers heeft vermoedelijk tussen de 100 en 200 gelegen.

Toen Margareta van Parma op 18 augustus de gebeurtenissen in het Westkwartier had vernomen riep zij het verbond der edelen bij haar. Op 23 augustus spraken zij af dat onder strikte voorwaarde de calvinisten werd toegestaan preken te houden. Dit moest plaatsvinden op de plekken waar dit al gebeurde en ze mochten de voortgang van de katholieke mis op geen enkele manier tegenwerken.

Op 28 augustus riep de hoogbaljuw in Ieper de ‘nieuwgezinden’ bij zich op het stadhuis, om samen met de schepenen te spreken over hoe het verder zou moeten. Onder hen waren diverse mannen, waarvan men wist dat ze actief aan de beeldenstorm hadden meegedaan, waaronder een belangrijke aanvoerder Pieter de Cock.27 Hier werd hen toegestaan om voorlopig te preken net buiten de stad en de poort zou open blijven, zodat iedereen die het wilde naar de preek kon. De voorwaarde van het stadsbestuur was dat ze anderen niet tot last zouden zijn, er geen vreemdelingen aanwezig zouden zijn en men onbewapend naar de predicatie zou gaan. Op 29 augustus werd er voor het eerst weer een katholieke mis gehouden. Deze situatie zou in Ieper blijven bestaan tot de komst van Alva, die met zijn Raad der Beroerten hardvochtig zou afrekenen met het protestantisme in de Zuidelijke Nederlanden.

  1. GEURTS, De Nederlandse Opstand in pamfletten 1566-1584, Utrecht, 1978, 13-16; VAN HAECHT, De kroniek van Godevaert van Haecht over de troebelen van 1565 tot 1574 te Antwerpen en elders, ed. Roosbroek, Antwerpen, 1930, 31-39.
  2. WYNCKIUS, Histoire des Gueux des Bois, ed. Van De Putte, Brugge, 1841, 4.
  3. BACKHOUSE, ‘Hagepreken in het Vlaamse Westkwartier’, De Franse Nederlanden, Rekkem, 1984.
  4. Documents relatifs aux excès commis à Ypres par les iconoclastes (le 15 et le 16 août 1566), G. DES MAREZ ed., in: Bulletin de la Commision royale d’histoire de Belgique, 7 (1897), 21.
  5. Archives d’Ypres: Documents du XVIe siècle, faisant suite a l’inventaire des chartes: Mémoire justificatif du magistrat d’Ypres, I.L.A. DIEGERICK, ed., 4 dln, Brugge, 1874-77, I, 22-26.
  6. BACKHOUSE, ‘Hagepreken in het Vlaamse Westkwartier’, 1984.
  7. VAN HERNIGHEM, Eerste bouck van beschryfinghevan alle gheschiedenesse (1562-1572), ed. VERHEYDEN, Brussel, 1978, 19.
  8. ‘Archives d’Ypres: Documents du XVIe siècle, faisant suite a l’inventaire des chartes: Mémoire justificatif du magistrat d’Ypres’, ed. DIEGERICK, 4 dln, Brugge, 1874-77, I.
  9. VAN HERNIGHEM, Eerste bouck van beschryfinghevan alle gheschiedenesse, 29-30.
  10. ‘Cort Verhael van ‘t ghonne binnen de stadt van Ypre’, ed. VAN DE PUTTE, Annales de la Société d’Émulation de Bruges, Brugge, 1844, 218; ‘Archives d’Ypres’, DIEGERICK, I, 42-44.
  11. Archives d’Ypres, DIEGERICK, I, 46.
  12. WYNCKIUS, Histoire des Gueux des Bois, 11.
  13. WYNCKIUS, Histoire des Gueux des Bois, 12.
  14. BACKHOUSE, ‘Documenten betreffende de godsdiensttroebelen in het Westkwartier: Jan Camerlynck en tien zijner gezellen voor de Ieperse vierschaar (1568-1569)’ In: Handelingen van de Koninklijke commissie voor Geschiedenis, 138 (1972), 138-139.
  15. OPDEDRINCK, Poperinghe en omstreken tijdens de Godsdienstberoerten der XVIe eeuw, Brugge, 1898, 52-53.
  16. Archives d’Ypres, DIEGERICK, I, 56-57.
  17. Documents relatifs, DES MAREZ, 1897, 8-16; Documents relatifs, DES MAREZ, 1925, 99-105.
  18. Archives d’Ypres, DIEGERICK, I, 58-59.
  19. Archives d’Ypres, DIEGERICK, I, 65.
  20. Archives d’Ypres, DIEGERICK, I, 71-72, 13 en 24.
  21. VAN HERNIGHEM, Eerste bouck van beschryfinghevan alle gheschiedenesse, 21.
  22. Documents relatifs, 1897, 20-24; Documents relatifs, 1925, 103-111.
  23. Philippe Vanderghote, één van de intiatiefnemers van ‘Beeldenstorm 450’ ontdekte dit onlangs in zijn zoektocht naar biografische gegevens van Sebastiaan Matte: Inventaire Analytique et Chronologique des Chartes et Documents, appartenant aux Archives de la Ville d’Ypre, ed. DIEGERICK, Brugge, 1860, 254-256 en MERGHELYNCK, Monographie de l’hôtel-musée Merghelynck à Ypres, Flandre Occidentale, Belgique, Ieper, 1900, 26.
  24. Documents relatifs, 1897, 28-30; Documents relatifs, 1925, 116-122.
  25. VAN HERNIGHEM, Eerste bouck van beschryfinghe, 21.
  26. Archives d’Ypres, I, 212-216; Cort Verhael, 225.
  27. Archives d’Ypres, I, 72-73.